Preek 22 april - E.H. Robert Kurvers

IK BEN DE GOEDE HERDER

heiligetrapMidden in dit hectische Rome, met zijn vele auto’s en bussen en met een overvloed aan stemmen van pelgrims en toeristen, brengen de Bijbelteksten van deze zondag over de Goede Herder ons ineens naar die ‘grote stille heide’, dat terrein bij uitstek van de herder. En misschien is de verheven stilte van deze Friezenkerk ook wel een goed gelegenheid om ons in alle rust wat te bezinnen op dat ‘herder zijn’. We zijn immers niet voor niets hier die trap opgelopen, naast het Sint Pietersplein – even omhoog, even weg uit het geweld van de massa. En binnen deze sfeer kunnen we onszelf de vraag stellen: hoe doe je dat: herder zijn? Wanneer is iemand een goede herder?
Natuurlijk gaat het hier niet over schapen – trouwens, hier in Rome met zijn vele marmer en zijn stenen paleizen zijn ze moeilijk te vinden. De tijd ligt ver achter ons dat die nog rustig aan het grazen waren op de plaats waar nu het oude Forum Romanum is opgegraven. En toch is Rome een stad van ‘herders’; je struikelt er haast over de pastors. Maar dát is nu net de vraag: gaat het in dat evangelie eigenlijk wel in de eerste plaats over hen of misschien toch eerder over ons allemaal? Want hoewel er op deze 4e paaszondag traditioneel bijzondere aandacht wordt gevraagd voor de roeping tot het geestelijk ambt, komt het mij voor dat het herderschap, waarover Jezus het heeft eerder gaat over een kwaliteit van ons leven dan over een bepaald beroep. Zou het er uiteindelijk dan ook niet om gaan of we binnen onze eigen leefwereld en ons werk allemaal een beetje herders zijn, hoeders van elkaar; de ambtenaar evenzeer als de priester, de bankdirecteur evenzeer als de kno-specialist? En zijn we in staat om in onze manier van leven en werken en leidinggeven iets zichtbaar maken van dat hoedende, dat beschermende dat een goede herder kenmerkt? Het evangelie is heel actueel: het gaat over ons eigen functioneren.

Voor iemand die wat vertrouwd is geraakt met het Bijbelse en kerkelijke jargon roept het woord 'herder' nog altijd een associatie op met God. Hoe vaak wordt in onze kerken niet gezongen: "’Want mijn Herder is de Heer, nooit zal er mij iets ontbreken”? Voor gelovige mensen heeft het woord 'herder' allereerst de klank gekregen van vertrouwen op God; God is onze herder, Hij zal over je waken, Hij zal je nooit laten vallen… ook niet als je moreel aan de grond zit; God is pure liefde; bij Hem ben je als mens veilig. Deze kenmerken zijn in de Bijbel wezenlijk voor alle vormen van herderschap. Begrijpelijk ook: zij is immers ontstaan te midden van een volk van herders. Het is opvallend hoe vaak juist herders worden uitgekozen, wanneer er binnen dat Godsvolk een leider of koning moet worden gevonden. Abraham, Isaak en Jakob - de aartsvaders - en ook Mozes waren allemaal herders en de herder bij uitstek was natuurlijk David, de latere koning.
In hun spoor wordt ook Jezus herder genoemd. Hij noemde zichzelf de goede Herder, omdat Hij heel goed wist dat er heel de geschiedenis door ook genoeg slechte herders - charlatans, huurlingen –zijn geweest. Alleen een goede herder heeft zorg voor zijn kudde, hij luistert en beschermt; hij wordt gekend en gehoord; hij is in staat om zijn kudde te sturen en is bereid om, als het erop aan komt, er zelfs zijn leven voor te geven. herderHij lijkt op God! En zo ziet ook Jezus zichzelf: Hij is er dan ook voor degenen die Hem willen volgen, maar evenzeer voor hen die andere wegen gaan: 'Ik heb nog andere schapen die niet uit deze schaapstal zijn, ook die moet ik leiden', zegt Hij dan ook. Jezus maakt geen onderscheid; Hij wil een herder zijn voor álle mensen.

Hier vlak bij hebben we een mooi voorbeeld van goed herderschap; het is een voorbeeld waarvan je merkt dat het in heel de wereld – kerkelijk of niet - respect inboezemt. Niet alleen zie je op het borstkruis van de huidige paus Franciscus een afbeelding van Christus als de Goede Herder – die beroemde afbeelding die we al kennen uit de vroege kerk: Christus met dat schaap op zijn schouder – paus Franciscus laat ook in heel zijn houding zien, dat leidinggeven niet een kwestie is van macht over anderen, maar delen in het leven van anderen. Het gaat hem steeds om de prioriteit van het hart. Hoe mooi en goed en betrouwbaar een leer ook kan zijn, zonder hart – zonder haar te plaatsen in het domein van de liefde – wordt zelfs de verhevenste leer en de prachtigste theorie een kil staketsel. Een goede herder heeft oog voor heel zijn kudde, maar heeft vooral oog voor de zwakste schakel daarbinnen. Die zet hij op zijn eigen schouders wanneer het nodig is. Zo wordt de leer zichtbaar!

Herders zijn altijd hoge bomen, zij steken ook een beetje boven hun kudde uit en wie deel uitmaakt van de kudde let op hem. Dat maakt elke herder ook kwetsbaar. Als zij hun neus teveel omhoog steken verliezen zij letterlijk het contact met hun kudde en daarmee ook het respect. Huurlingen noemt de Bijbel hen dan. Maar wanneer zij zich steeds opnieuw over hun kudde heenbuigen, er tussen doorlopen en mede de rommel opruimen, hoort en bemerkt de kudde het kloppen van hun hart. Dat geldt voor alle leiderschap, of het nu bekleed wordt door mannen of door vrouwen.  Als zij vooral oog hebben voor zichzelf en hun eigen positie valt de kudde uiteen. Als zij echt hoeden –  behoedzaam zijn -  krijgen zij gezag.

In die zin is dat oude beeld van de goede herder - uit die catechetische evangelietekst van bijna 2000 jaar terug - een hernieuwd appèl aan allen die in deze moderne wereld staan. Het is een spiegel voor politici en bankdirecteuren, voor ambtenaren en leraren voor priesters en aspergetelers. Een appèl om je werk en je functioneren in de samenleving niet in de eerste plaats te zien als een beroep of een functie, maar als een vorm van roeping en om - in welke positie je ook staat – zó met mensen om te gaan, dat ze in jou iets kunnen herkennen van die Goede Herder, die zijn leven geeft voor zijn schapen, de Goede Herder die op zijn beurt de spiegel is van God.

Afdrukken E-mail