Preek 15 april - Z.E.H. bisschop Antoon Hurkmans, rector Friezenkerk

Mensen zijn mensen. Niet meer en niet minder. Aan ons lichaam ervaren we van tijd tot tijd dat we broos zijn. Al zijn we nog zo sterk, eens komt de tijd van aftakeling. Men zegt ons dan: ‘het valt wel mee, het wordt wel beter.’ Maar eenmaal, zo rond de zeventig, laat men zich niets meer wijs maken. En toch, we zijn meer dan ons lichaam. Met het groeien der jaren raken mensen heel goed thuis in het relationeel leven, in de liefde. Ze weten precies wat waar is, wat echt is. Ze kunnen juist onderscheiden wat voorbij gaat en wat blijft. Ze weten wat rust en wat vrede geeft. Ze kennen hun verlangens die uitgaan boven alles wat we hier en nu aantreffen.
 
doorboorde handenMensen zijn mensen, niet meer en niet minder. Dit hebben we gehoord in het Evangelie van deze zondag. De Apostelen hebben daar ook mee geworsteld. Aanvankelijk wisten ze geen weg met de verrijzenis van de Heer. Opstaan uit de dood. Dat was voor hen letterlijk niet denkbaar. Het oversteeg hun mens zijn. Ongeloof, twijfel en onzekerheid waren hun deel. Zij laten zich niets wijsmaken. Jezus komt hen tegemoet. Hij laat zijn doorboorde handen zien. Hij laat zijn doorboorde voeten zien. Hij vraagt om een stuk vis en eet het voor hun ogen op. Langzaam ontmoeten de leerlingen opnieuw hun Heer. Ze herkennen Hem. Hij is het. ‘Het is de Heer’, horen we dan. Op deze wijze worden de leerlingen gezagvolle getuigen. De paasboodschap is geboren. ‘De Heer is verrezen, Hij is waarlijk verrezen.’ En toch, de weg doorheen de dood naar het leven is niet te begrijpen. Het blijft zoeken naar woorden, voor de Apostelen en voor ons.  

In dit Evangelie treffen twee liefdes elkaar. Als eerste de liefde van God die mens wordt; God, die naast ons komt staan. Hij eet en drinkt. Hij is blij en verdrietig. Hij is sterk en zwak. Hij is er een van ons. Hij houdt van mensen. Zielsveel. Hij neemt hun lasten op zich. Hij sterft uit liefde voor hen. Hij geeft zijn leven. Hij leeft het leven van een mens, maar blijft in alle omstandigheden in de liefde.

De tweede liefde is de liefde van de Vader. De liefde van God die wij kennen door Jezus. Hij sprak voortdurend met en over zijn Vader in de hemel. De Vader laat Zijn Zoon niet in de dood. Hij doet Hem opstaan uit de dood met een verheerlijkt lichaam. God geeft Hem het volle, onvergankelijke leven. Onaantastbaar. Een leven dat een is met de Vader, met de Zoon en met de Heilige Geest.

petrus paulusDe Apostelen zijn door God op onze weg geplaatst, zij wijzen ons op onze al te menselijke kanten en op onze bovenmenselijke mogelijkheden. De Apostelen zijn ons door God gegeven als gezagvolle getuigen. Petrus, met Paulus, de Apostelen van Rome, laten ons in de eerste lezing horen over de verloochening, de veroordeling van Jezus door de joden. Wellicht ook door ons? Te klein menselijk. Maar zij kondigen eveneens de genade aan van de bekering en de vergeving. Keer je af van het kwaad. Keer je toe naar Christus. Laat je dopen. De Doop in Christus doet ons delen in een Leven waarin het kwaad en de dood hun macht verloren hebben. Een mens is niet minder dan geroepen te leven met God. Maar zo gemakkelijk is dat niet.

Langzaam zijn de ogen van de apostelen opengegaan. Langzaam. Alle perikopen die gaan over de verrijzenis beginnen met het niet herkennen van de Heer. Het moet een ongrijpbaar diepe kloof zijn geweest. De verrijzenis was ondenkbaar. Er waren geen woorden voor het opstaan uit de dood. Door de tijd heen hebben de apostelen stap voor stap hun geloof in de verrijzenis in woorden uitgedrukt. Hij is niet dood, Hij leeft. Zo ontstond rond Christus en rond de twaalf de Kerk. Door de gave van de Heilige Geest. De Kerk, wel in de wereld, maar niet van de wereld.

Broeders en zusters, wij zijn mensen, niet meer en niet minder. We weten dat we sterven, maar omdat we in onze doop een zijn geworden met Jezus, mogen we geloven dat we niet in de dood zullen blijven. Ons wacht de verrijzenis. Het vraagt van ons heel wat dit te geloven. Hier woorden voor te vinden. Dit in ons leven op te nemen. Hier in Rome, hier bij Petrus en bij Paulus, is het wat makkelijker. Overal waar je loopt en kijkt is iets van dit nieuwe leven verbeeld. Overal zie je dat het geloof in de verrijzenis een vaste plaats heeft gekregen in de christelijke cultuur. Het vieren van de zondag, de dag van de verrijzenis, is hierbij belangrijk. Door de tijden heen ontvangen de gelovigen in de Eucharistie het Lichaam van Christus, mens geworden, uit de dood opgestaan. Om hierdoor een geloofsgemeenschap te worden. Kerk te worden. Lichaam van Christus te zijn. Het tweede Vaticaans Concilie noemt de Kerk o.a. Lichaam van Christus. De gelovigen zijn de ledematen van dit Lichaam en Christus, zetelend aan de rechterhand van de Vader, is het Hoofd van dit Lichaam. De Kerk is aards en hemels. Als u zo meteen de H. Communie ontvangt zeg ik tot u: ‘Lichaam van Christus’. Dit heeft twee betekenissen. Eerstens, u ontvangt het Lichaam van Christus. Tweedens, u ontvangt wat uzelf bent: Lichaam van Christus. Als gedoopten behoren we bij de Kerk. Zijn we Lichaam van Christus.  

Broeders en zusters, in geloof delen wij nu al in de verrijzenis van de Heer. Als ik nu tot slot zeg: mensen zijn mensen, niet meer en niet minder, dan leg ik nu de nadruk op niet minder. U en ik, wij zijn geschapen door God, om bij Hem thuis te zijn. Amen.

Afdrukken E-mail