Preek 14 januari - E.P. Pierre-Paul Walraet

Homilie voor de Tweede Zondag door het Jaar -B - / - 14 januari, 2018Samuël zoon van Hannah en Elkana
1Sam 3,3b-10,19 / Psalm 40 2,4,7-8,8-9,10 / 1Cor 6,13c-15a.17-20 / Joh 1,35-42
Broeders en zusters, we hebben twee roepingenverhalen beluisterd. Het oudtestamentische verhaal over de roeping van de jonge Samuël klinkt ons wellicht vertrouwd in de oren. Samuël was de zoon van Hannah en Elkana. Hannah was een vrouw die kinderloos was. Dit stemde haar droef. Daarom bad zij: “God van de machten, als Gij omziet naar de ellende van uw dienares en mij indachtig wilt zijn, als Gij uw dienares niet vergeet en haar een zoon schenkt, dan zal ik hem voor zijn gehele leven aan U afstaan.” God verhoorde haar gebed. Hij schonk haar een zoon. Zij noemde hem Samuël. Want, zei ze, ik heb hem van God afgesmeekt. Enige tijd later bracht Hannah haar zoon Samuël, zo klein als hij was, naar het heiligdom van God. Zij stond haar zoon af, zoals ze had beloofd. Zij deed dit vol dankbaarheid.

Ook het Samuël verhaal dat wij vanmorgen hebben gehoord, speelt zich af in het heiligdom van de Heer. Daar stond de ark van God. God was er aanwezig. De jonge Samuël was al in dienst van de Heer. Hij stond onder het toezicht van de priester Eli. Hij bracht er ook de nacht door. Hij had er zijn vaste plek om te slapen. Als hij tijdens de nacht zijn naam hoort roepen, haast hij zich naar de priester Eli, en zegt: hier ben ik, u hebt me toch geroepen? Ook wij hebben deze woorden gezongen als refrein bij de antwoordpsalm: “Hier ben ik, God, uw wil te doen is mijn vreugde”.

eli and samuelAls Samuël voor de tweede maal de stem hoort, herhaalt zich hetzelfde scenario. Hij staat op, gaat naar de priester Eli, en zegt: “Hier ben ik, u hebt me toch geroepen?” Noch de jonge Samuël, noch de priester Eli hebben door wat er aan de hand is. Samuël is nog te jong en spiritueel onervaren om zelf een onderscheid te kunnen maken tussen een menselijke stem en de stem van God die zijn naam roept. De auteur vermeldt dit ook: “Samuël kende de Heer nog niet: een woord van de Heer was hem nog nooit geopenbaard” (vers 7). Samuël was er zich nog niet van bewust – jong als hij was – dat God hem zou aanstellen als profeet. Een profeet die zijn het volk voortdurend zou oproepen vreugde te vinden in de wil van God.

En Eli antwoordt zoals bij de eerste keer: “Ik heb niet geroepen, mijn jongen, ga maar weer slapen.” Je proeft de zorg en de affectie in de wijze waarop Eli Samuël antwoordt: mijn jongen, ga maar weer slapen. Maar God roept een derde keer. Opnieuw gaat Samuël gehoorzaam naar de priester Eli en herhaalt dezelfde woorden: “Hier ben ik. U hebt me toch geroepen?” Nu wordt het voor Eli blijkbaar duidelijk wat er aan de hand is. Hij begreep dat het de Heer was die Samuël riep. Eli helpt Samuël om nu de volgende stap te zetten: ga slapen, zegt hij, en mocht Hij je roepen, dan moet je zeggen: “Spreek, Heer, uw dienaar luistert”. En zo gebeurt het. Samuël luistert naar de geestelijke leiding die de priester Eli hem geeft. Niet veel later komt de Heer bij hem staan. Dat lijkt een nieuw element. De Heer komt bij hem staan. Nu klinkt zijn naam twee keer: “Samuël, Samuël”. Zoals bij de bekering van de apostel Paulus: “Saul, Saul …”. Samuël is een goede leerling die de geestelijke leiding van de priester getrouw opvolgt op het moment dat God zich aan hem te kennen geeft. Hij antwoordt de roepstem van God met de woorden: “Spreek, Heer, uw dienaar luistert.” Luisteren naar het spreken van God met de oren van de gehoorzaamheid, is een doorbraak in de geestelijke ontwikkeling van de jonge Samuël. Dit is geen eenmalig luisteren. Dit luisteren wordt de grondhouding van de profeet. Luisteren naar God die spreekt geeft kracht die doet groeien. Wie luistert naar God die spreekt, zal Hem ook heel nabij weten. En de woorden van iemand die God heel nabij weet, zijn gezagvolle woorden. Hun zeggingskracht gaat niet verloren. Zo versta ik het laatste vers (vers 19) van de eerste lezing: “Samuël groeide op; de Heer was met hem en liet niet één van zijn woorden onvervuld”. Iets gelijkaardigs wordt door Lucas over de twaalfjarige Jezus gezegd: “En met de jaren nam Jezus toe in wijsheid en welgevalligheid bij God en de mensen” (Lc. 2,52; zie ook Lc. 1,80).

Om anderen te laten delen in de wijsheid die hij van God ontvangen heeft, verzamelt Jezus een groep leerlingen rondom zich, waarvan hij er twaalf zal aanstellen om zijnJezus roept Simon Petrus en Andreas apostelen, zijn naaste medewerkers, te worden. Het prille begin hiervan hoorden we in het evangelie. Het zijn eerste voorzichtige stappen om met Jezus kennis te maken. De rol van Johannes de Doper is hier niet onbelangrijk. Er zich van bewust dat Jezus groter moet worden, en hij, Johannes de Doper, kleiner wil hij zijn leerlingen niet vasthouden voor zichzelf. Met de woorden “Ziedaar, het Lam Gods” wijst Johannes weg van zichzelf en zet hij twee van zijn leerlingen op weg om volgelingen van Jezus te worden en volheid van leven te vinden. De twee maken kennis met de plek waar Jezus verblijft. En Andreas slaagt erin zijn broer Simon te overhalen om bij Jezus gebracht te worden.

Het is ook onze roeping elkaar bij Jezus te brengen. En als we ons hart omvormen tot een plek waar Jezus verblijf kan houden, dan kan Hij daar ons onderrichten in de wijsheid van God, en blijven wij groeien in welgevalligheid, bij God en bij de mensen.

Afdrukken E-mail