Preek 3 september - E.H. Wouter de Paepe

VerslavingEen verslaving. Het is iets dat we zelf niet willen krijgen. En Een verslaving. Het is iets dat we zelf niet willen krijgen. En ook voor de mensen om ons heen hopen we dat ze er niet in vast komen te zitten. Toch gebeurt het met regelmaat. De meesten van ons hebben wel bepaalde zwakten, waar ze moeilijk weerstand aan kunnen bieden. En bij sommigen loopt het volstrekt uit de hand. Verslaving komt in vele vormen. Alcohol, roken en drugs zijn wel de bekendste. Maar je kunt ook verslaafd zijn aan computerspellen, aan pornografie, gokken, of ook aan TV-kijken of aan sport. Er zijn vele vormen van verslaving. Maar waaraan het ook is, verslaving betekent altijd hetzelfde: dat het heel moeilijk is om ermee te stoppen. Soms denk je: ik wil er niets meer van weten, ik stop ermee. Maar dan laait er een vuur in je hart op, een sterk verlangen, en ook je lichaam kan gaan protesteren. Je doet alle moeite om het in bedwang te houden, maar het lukt je niet. En je valt er opnieuw voor.

Degenen onder u die nauwlettend naar de eerste lezing geluisterd hebben, zullen hebben gemerkt dat de omschrijving van zojuist heel erg overeenkomt met de ervaring die Jeremia beschrijft. Alleen heeft hij het niet over alcohol of gokken, maar over God. En hij zegt tot God: “Gij hebt mij verleid”. Hij omschrijft daar geen verslaving, eerder een verliefdheid. Maar zijn die twee eigenlijk wel zo verschillend?

Als je verliefd bent op iemand, kun je je leven niet meer zonder die ander voorstellen. Elk moment dat je niet bij elkaar bent voel je de afwezigheid. Steeds weer gaan je gedachten naar hem of haar uit. Dat lijkt toch heel erg op een verslaving. En het liefdesverdriet na een afwijzing of breuk kun je ook als een vorm van afkicken zien. Toch klinkt het heel anders of je zegt: “Ik ben verliefd op je”, of “ik ben verslaafd aan je”. En naarmate een relatie langer duurt, wordt het alleen maar sterker. Na een huwelijk van veertig of vijftig jaar zeggen we vaak dat mensen volledig met elkaar vergroeid zijn, een volstrekt hechte eenheid zijn geworden. We zeggen niet snel dat ze totaal verslaafd aan elkaar zijn geworden. Toch kunnen ze niet zonder elkaar. En de rouw na het onvermijdelijke wegvallen van een van de twee is een bijzonder diep gevoeld onthoudingsverschijnsel.

Zo zijn we ook verslaafd aan onze kinderen, aan onze vrienden, aan een arbeid die we vol passie verrichten of een goed doel waarvoor wij ons inzetten. En we zijn verslaafd aan ons geloof, onze kerk, aan Christus. En toch noemen we dat allemaal niet zo. Waarom niet?

Het antwoord ligt eigenlijk voor de hand. Verslaving is iets negatiefs, iets wat je beter niet kunt hebben. “Alcohol maakt meer kapot dan je lief is”, is een zin die nog steeds staat als een huis. Als je hang naar iets of iemand zo ver gaat dat het je eigen leven of dat van anderen schaadt, maar je er toch niet mee kunt stoppen, dan ben je er slaaf van geworden. Datgene waaraan je verslaafd bent is dan te belangrijk geworden en gaat ten koste van andere dingen die eigenlijk belangrijker zijn. Je lichamelijke gezondheid, bijvoorbeeld. “Roken is dodelijk”. Of je bestaanszekerheid. Je relatie met anderen. Wie zijn geld vergokt en daardoor zijn gezin niet meer kan onderhouden, is duidelijk verkeerd bezig. Zulke hechtingen noemen we verslaving. Maar een mens die zich aan niets hecht, dat zou ook niet goed zijn.

Het mensenhart is een hart dat zich wil hechten. We zijn ertoe geschapen om niet alleen te blijven, maar ons te verbinden aan anderen. Alleen op die manier kunnen we echt mens zijn. Maar het lastige van ons hart is, dat het zich aan zovele dingen kan binden en lang niet alles is altijd gunstig of goed. Zelfs als het iets goed is, is het niet altijd een goed idee je er teveel aan te hechten. Wie te veel opgaat in zijn werk en daarmee zijn huwelijk schaadt, hecht zich aan iets goeds, maar verliest een ander, groter goed. Wie probeert een spel te winnen, maar daarmee een vriendschap verliest, is een armer mens geworden.

Zelfs onze hechting aan mensen staat onder die vraag. Als we anderen te zeer verlangen en niet los kunnen laten, kan dit hun leven en dat van onszelf schaden. Uiteindelijk moet het leven geleefd worden, en goed geleefd. Bindingen aangaan is daarbij belangrijk, maar bij voorkeur dan ook aan dingen die belangrijk zijn en goed.

kruis op nemenPrecies daarom draait ook de botsing tussen Jezus en Petrus. Op zich wil Petrus niets slechts. Hij ziet Jezus graag veilig. Maar Jezus weet dat het belangrijkste in het leven de verbinding met God is. Want Hij is het die het leven heeft geschapen en die het eeuwig leven zal schenken. Al het andere is dan minder belangrijk “Wat voor nut heeft het voor een mens heel de wereld te winnen, als dit ten koste gaat van eigen leven?” Veel van onze menselijke overwegingen gaan goed samen met wat God wil, maar op het moment dat ze elkaar tegenspreken, dient het hart zich vooral te binden aan wat er vooral toe doet. Dat is Jezus’ boodschap aan Petrus en aan al zijn leerlingen, dus ook aan ons: “Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zijn kruis op te nemen”. En het kruis is de weg van Christus.

Dus wat we ook doen, en waar we ons ook aan hechten, laat het in ieder geval in overeenstemming zijn met die weg, laat het in overeenstemming zijn met God. We bidden niet voor niets elke dag: “Uw Rijk kome, uw wil geschiede.” Als dat in ieder geval maar gebeurt, als we daar in ieder geval maar op gericht blijven. En dat niet ons hart zo vasthoudt dat we dit uit het oog zouden verliezen. Daartoe helpe ons de almachtige God, door Christus onze Heer.

Afdrukken E-mail