Preek 20 augustus - E.P. Theo Jansen O.F.M.Cap.

JIJ MAG ERBIJ ZIJN

Om met elkaar in de rijkdom van deze zondagliturgie door te dringen lijkt het me goed uit te gaan van de eerste lezing.

imagesqwDe profeet Jesaja richt zich tot zijn geloofsgenoten met de woorden: “Onderhoudt het recht en doet wat rechtvaardig is, want mijn heil is in aantocht” zegt de Heer. De Israelieten doen er goed aan open te staan voor wat God hen wil verkondigen. Maar het is ook aan ons gezegd. Doen wat rechtvaardig is – het nodigt uit tot een gewetensonderzoek: kan alles wat ik in mijn dagelijks leven doe door de beugel? Is het in overeenstemming met wat mijn geweten zegt? Klopt het met Gods geboden?

Jesaja voegt er een uitnodiging aan toe die tot niet-Joden, tot vreemdelingen gericht is: “De vreemdelingen die zich bij de Heer aansluiten om Hem te dienen... hen breng Ik naar mijn heilige berg en Ik geef hun vreugde in mijn huis van gebed”. Het is alsof God tot ieder van hen zegt: “Jij mag erbij zijn. Mijn huis staat open ook voor jou”. Opnieuw een persoonlijke vraag aan ons: Sta ik open voor iedereen? Of sluit ik me op in mijn eigen gelijk?

Deze vraag komt terug in twee concrete situaties die de liturgie van deze zondag presenteert: die van Paulus met betrekking tot de Joden, zijn geloofsgenoten; en die van Jezus in de ontmoeting met de kananeese vrouw.

paulusIn zijn brief aan de Romeinen wijdt Paulus maar liefst drie hoofdstukken aan de vraag hoe het mogelijk is dat niet-Joden opgenomen worden in Gods heilsplan dat met Abraham begint. Voor ons is dat waarschijnlijk geen probleem, omdat wij geen joodse achtergrond hebben. Wij zijn erfgenamen van Willibrord en Bonifatius die ons de bevrijdende boodschap van het evangelie gebracht hebben. Maar voor Paulus en de eerste christengeneratie lag dat anders. De kwestie of met de komst van Christus het jodendom heeft afgedaan was zo vitaal dat er een concilie over gehouden is, het eerste van een reeks waarbij men tot in onze dagen regelmatig is teruggekomen op de vraag naar de betekenis van de verschillende godsdiensten in verhouding tot het christendom.

Net als Paulus, maar op een andere manier worden wij met dezelfde vraag geconfronteerd. Wat is in de huidige multiculturele en multireligieuze situatie de plaats van ons christendom? Natuurlijk zijn wij overtuigd dat wij door Gods genade gedoopt zijn en daardoor opgenomen in de Kerk van Christus. Maar de vraag rijst: Moeten wij anderen tot ons geloof bekeren of moeten wij hen in hun eigen geloofsovertuiging laten? Dit is geen theoretische vraag nu we op straat moslimvrouwen tegenkomen en onze kinderen in een klas zitten met scholieren van andere religies en ook met niet-gelovigen. Wat vraagt Jezus ons in concreto?

Laten we daarvoor naar de episode kijken die het evangelie van deze zondag ons biedt. Jezus gaat naar het buitenland, over de grens, naar de streek van Tyrus en Sidon, in het huidige Libanon. Een kananeese vrouw, dus niet joods, vraagt hem haar dochter te genezen. In het antwoord van Jezus kunnen we twee stadia onderscheiden, twee manieren van denken. De eerste: bij je eigen geloof blijven - “Ik ben alleen maar tot de verloren schapen van het huis van Israël gezonden”, zegt Jezus. En als de vrouw aanhoudt gebruikt hij een beeld: “Het is niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is, aan de honden te geven”. Het antwoord van de vrouw opent een nieuwe dimensie: “Toch wel, Heer, - sprak zij- want de honden eten immers toch ook de kruimels die van de tafel van hun meesters vallen”. Zij trekt het beeld door, maar herinnert Jezus eraan dat het heil voor alle mensen geldt, dat God een God van alle mensen is, dat ook zij erbij horen. Niemand is uitgesloten.

Deze nieuwe dimensie wordt bekrachtigd: “Vrouw, ge hebt een groot geloof! Uw verlangen wordt ingewilligd”. En van dat ogenblik was haar dochter genezen.

Bij alle vragen die de aanwezigheid van anders-gelovigen bij ons christenen kan oproepen, is het goed te bedenken dat Jezus zijn leven gegeven heeft voor alle mensen, van welke cultuur of levensovertuiging zij ook zijn. Iedereen kon bij hem terecht. Dat geldt niet alleen voor de Meester, maar ook voor ons zijn leerlingen. Mensen die ons vreemd zijn, zouden in ons iets van deze universele liefde van Jezus moeten ervaren, en dan zullen ze zich tot hem aangetrokken voelen.

Maar waar hoe moet dat in zijn werk gaan?

Second Vatican CouncilEr is een aanwezigheid van Jezus die in het evangelie éénmaal vermeld wordt, maar die sinds het Tweede Vaticaans Concilie sterk naar voren gehaald wordt. In het evangelie van Matteus lezen we: “Waar twee of drie in mijn naam verenigd zijn, daar ben Ik in hun midden”. Deze tekst wordt in bijna alle documenten van het concilie aangehaald en heeft een buitengewoon praktische waarde. Jezus is aanwezig waar twee of drie in zijn naam samen zijn. Je kunt hem dus tegenkomen overal waar mensen verenigd zijn “in zijn naam”, d.w.z. in de onderlinge liefde, zijn nieuwe gebod. We hoeven niet in grote massa’s te zijn: twee of drie is voor Jezus al genoeg, mits aan de voorwaarde voldaan wordt - in zijn naam verenigd te zijn.

Een pater salesiaan die samen met mij verantwoordelijk is voor een spiritualiteitscentrum in Loppiano in de buurt van Florence is net terug van een driewekelijkse missie in Libanon. Samen met jongeren en gezinnen uit verschillende landen rond de Middellandse Zee waren zij uitgenodigd om te helpen bij een aantal bijeenkomsten met als thema “De moed hebben in vrede te leven”, een aktueel onderwerp in een land dat van 1975 tot 2006 in oorlog was, maar waar nu christenen en moslims elkaar verstaan op basis van wederzijdse openheid en begrip. Een groep algerijnse moslimjongeren maakte deel uit van dit projekt. Eén van hen zei: “Nu ik zie hoe jullie als christenen met elkaar omgaan, voel ik mij gedrongen om de koran te gaan lezen en me open te stellen voor Allah, de Barmhartige”. Zou Jezus ook tot hem gezegd hebben: Jij hoort erbij?

Afdrukken E-mail