Preek 23 april - E.P. Tiemen Brouwer O.P.

Een fantoom, een schim.
Was het de verschijning van een geest, die de apostelen zagen, toen ze daar in de kamer bijeen waren, of zou je het een fantoom moeten noemen, wat ze te zien kregen, een schim? Het woord ‘spook’ zal ik maar niet opnoemen; dat klinkt veel te negatief! Ons gelovige aanvoelen zegt, dat deze namen geheel te kort doen aan wat er in werkelijkheid gebeurde op die eerste dag van de week, dag van de Verrijzenis en acht dagen later op die tweede eerste dag van de week, toen zij opnieuw bijeen waren, nu met Thomas erbij.

Een warmhartig mens.thomas verrijzenis
Wat ze te zien kregen was eindeloos veel rijker dan het zien van een geest, een schim of een fantoom.  Die zijn immers bloedeloos, zonder kloppend hart, niet van vlees en bloed. Maar hier was het veel méér dan een geest, die hen toesprak; het was een warmhartig mens, die z’n wonden liet zien, - die een grote betrokkenheid betoonde naar de groep toe, die daar bijeen was. En toch ging het niet zonder meer om een terugkeer naar de wijze van zijn van de mens Jezus van vóór zijn dood. Hij was dezélfde mens inderdaad, maar toch ook totaal anders, in een mysterieuze glans gehuld. En dan klinkt de begroeting: Vrede zij u. Dit simpele, eerste woord na alles wat er gebeurd was, raakte de diepste snaar van het gemoed van de leerlingen, want in die woorden voelden ze heel de bezorgdheid, de liefde, de aandrang van de Verrezene om hen gerust te stellen in de shocktoestand waarin ze terecht waren gekomen, in de angst en de vrees die hen had overmeesterd. Heel hun vertrouwen op een reddende God was immers verdwenen, alle zekerheden onder hun voeten weggeslagen, dit alles gepaard gaande met een groot gevoel van te kort te zijn geschoten. Ze waren immers op de vlucht geslagen, waren laf geweest. Maar nu: ‘Vrede zij jullie!’, horen ze. Laat angst en vrees varen; heb geen schuldgevoelens meer; er is de vergeving en barmhartigheid van de liefdevolle God.
Er is een nieuwe werkelijkheid gekomen. Het oude behoudt zijn geldigheid, maar moet gezien worden vanuit het nieuwe licht, dat erover heen schijnt, het licht van eeuwig leven en verrijzenis. Het oude, zoals het was vóór Pasen, wordt m.n. opgeroepen als Jezus zijn handen en zijn zijde laat zien, de eerste keer aan de groep als geheel, acht dagen later aan Thomas in het bijzonder, afzonderlijk door Jezus bij zich geroepen. Inderdaad, in die wonden zien ze het oude van voor de dood, de tekenen van de pijn, van het lijden, dat er was, - Jezus zal ervoor altijd door getekend blijven tot het einde der tijden, - maar nu zijn die tekenen in een geheel nieuwe setting opgenomen: de pijn voorbij, de wonden zijn als transparante toegangen tot zijn verrijzenis-lichaam geworden, waar licht doorheen straalt.

Wonden, die genezen.
Als Jezus zo op vredige, serene wijze zijn handen en zijde toont, dan worden deze lichaamsopeningen tot tekenen bij uitstek van de liefde die Hem gedreven heeft om het kruis op te gaan, van de oneindige barmhartigheid, die van Hem uit naar ons mensen toevloeit; we gedenken het op deze zondag van de Barmhartigheid. Zij worden uitdrukking van de Zoon van God, die zijn leven gegeven heeft om onze zonden en zwakheden weg te nemen. Niet voor de rechtvaardigen heeft de Goede herder zijn leven gegeven, maar voor dat ene zwakke schaap, dat verloren dreigde te gaan, voor allen, die zich zwak weten en verloren voelen. Hij heeft er alles voor over gehad om hen te bereiken en te genezen en naar de weide en de schaapsstal terug te brengen. Wie durft zich zo rechtvaardig te noemen dat hij/zij denkt het niet nodig te hebben, dat Jezus jou de wonden in zijn handen en zijde toont om je tot diepe bewogenheid te brengen en daarmee tot inkeer en bezinning?
 
In het vuur gelouterd.
Petrus spreekt in de tweede lezing over wat de eerste generatie christenen meemaakten.  Hij wijst zijn lezers er op: gij hebt nu, als het zo moet zijn, voor een korte tijd te lijden onder allerlei beproevingen. Wat de Meester moest ondergaan, daarvoor zullen de leerlingen niet gespaard blijven. In Petrus’ woorden dienen de eerste vervolgingen zich al aan, gevolgd door een eindeloze rij van andere vervolgingen door de geschiedenis heen tot aan zondag twee weken geleden, Palmzondag, de bloedige tragedie in twee koptische kerken in Egypte, - 47 gelovigen kwamen om, – en meer dan 100 gewonden!
Petrus gaat dan verder en verklaart: die beproevingen zijn nodig om de deugdelijkheid van uw geloof te bewijzen. Vergankelijk goud moet in het vuur gelouterd worden, zo uw geloof eveneens. Wie schrikt niet behoorlijk bij het horen van zulke woorden? Als ons, als mij een zware beproeving treft, zal ik overeind blijven? Of zal het niet eerder zijn, dat we bij de eerste de beste wat krachtiger bries omver worden geblazen? Overigens, van dit laatste kan Petrus zelf meepraten. Was hij niet zelf, toen het spannend werd in Rome en de eerste vervolgingen kwamen, er vandoor gegaan, de stad uit. Jezus moest hem op z’n schreden doen terugkeren. Hij kwam Petrus, die uit de stad wegtrok tegemoet. En Petrus vroeg: quo vadis Domine? Waar gaat u heen Heer? Ik ga naar Rome toe want ik moet opnieuw het kruis op me nemen. Toen kwam Petrus tot bezinning, draaide zich om en ging weer terug naar zijn broeders en zusters om hen bij te staan en uiteindelijk zelf de kruisdood te ondergaan. Op de Via Appia wordt nog de plek gewezen waar het gebeurd zou zijn!
Beste mensen: iedere vorm van smart, van lijden, van verdriet, van duisternis, van tekort schieten, van onzekerheid, van zwakheid kunnen we zien als een beproeving, die op onze weg komt, - desondánks op onze weg komt, want in het Onze Vader vragen we God in de nieuwe bewoording tegenwoordig: ‘breng ons niet in beproeving’!  Maar als het dan toch zo moet gebeuren: dat we, gelovig aanvaardend en op ons nemend, erdoor heen gaan en gesterkt tevoorschijn mogen komen.

lukas schrijftGeloof als verbindende factor
Vanzelf voert het pad van loutering en beproeving naar de eerste lezing van deze zondag. Lukas beschrijft aan het begin van zijn Handelingen van de Apostelen, hoe de eerste christenen met elkaar omgingen en wat ze samendeden: ze legden zich ernstig toe op de leer van de apostelen, ze bleven trouw aan het gemeenschappelijk leven en waren ijverig in het breken van het brood (de Eucharistie) en het gebed. Er is een exegeet die er op wijst, dat nergens staat dat ze vrienden van elkaar waren – het woord vrienden komt niet voor, zelfs staat er niet, dat ze broeders of zusters genoemd worden. De typerende uitdrukking, die gebruikt wordt om degenen aan te duiden, die bijeen waren, is ‘allen die het geloof hadden aangenomen’ waren eensgezind en bezaten alles gemeenschappelijk. Dus geloof in de verrezen Heer, die vergeeft en samenbrengt, was de bindende factor.  Daarna werden ze ook wel broeders en zusters, kwam er vriendschap.

Wat komt er niet allemaal op ons af in onze dagen!
Geloof zal ook de verbindende factor moeten zijn die ons bindt als we in de gezamenlijke maaltijd van de Eucharistie bijeen zijn. Ons zal straks op het moment van de Pax, net als op die eerste avond van de week na de verrijzenis, gezegd worden: ‘vrede zij u’ (De vrede van de Heer zij altijd met u). En dan volgt het woord van de diaken: geeft elkaar een teken van vrede. Dat kunnen we heel ‘tussenmenselijk’ verstaan in de zin: laten we goed en aardig zijn voor elkaar, vriendelijk, een teken van hartelijkheid geven: dat is het óók allemaal, ook heel belangrijk! Maar de bedoeling is, dat we het als gelovigen verstaan, diep in ons wetend, dat de Heer zelf het is, die zijn vrede wil schenken (‘vrede laat ik u na, mijn vrede geef ik u’, de verrijzenisvrede) ook nú, ook aan ons hier. In onze droefheid, uitzichtloosheid, onbeholpenheid, onmacht, twijfel, - wat komt er in onze dagen niet allemaal op ons af, dat verontrust, vrees en verwarring brengt? -  alleen in de verrezen Heer vinden we de geruststelling, die moed geeft, met de Heilige Geest verkwikt en ondanks alles vreugde verschaft.
De Heer niet ziende, maar gelovig aanwezig wetend in zijn gaven van Lichaam en Bloed, zeggen we met Thomas: ‘Mijn Heer en mijn God!’
Amen.

Afdrukken E-mail