Preek 8 januari - E.P. Tiemen Brouwer O.P.

Doop van de Heer, Jaar A
doop van JohannesDe doop van Johannes had alles met zonde te maken. De mensen kwamen naar de plek aan de Jordaan, waar Johannes doopte, ze gingen de rivier in en de zonden werden afgewassen. Hun lange tocht van huis, hun gaan naar die afgelegen plek in de woestijn, was al een uiterlijk teken, dat ze spijt hadden, dat ze bevrijd wilden worden van wat duister was geweest in hun leven. Als nieuwe, herboren mensen hoopten ze uit het water omhoog te stijgen. Johannes doopsel was een doopsel van bekering, van de wil om tot levensverandering te komen en nieuwe mensen te worden.

Dan komt Jezus naar de Jordaan. Hij was ook van huis vertrokken, uit het verre Galilea, waar hij al die jaren gewoond had bij zijn ouders Jozef en Maria en hij vraagt aan zijn neef, de boeteprediker, of hij ook het doopsel van bekering in de Jordaan mag ondergaan. Er komt een aarzeling bij Johannes op: moet hij Jezus dopen? Nee, het moet andersom zijn: Jezus zou hem moeten dopen! Hij is niet waardig zelfs zijn schoenriem los te maken. Johannes begrijpt iets van de hemelse afkomst van zijn neef en voelt zich de mindere. Zijn verhouding tot Jezus wordt weergegeven in de woorden: Hij moet groter worden, ik moet kleiner worden. Maar toch vindt Jezus dat het moet gebeuren, dat Hij het water moet ingaan. Het is zo ‘van boven’, van God uit vastgesteld. Wat kunnen we hier uit concluderen? Bij Jezus ging het niet om iets duisters, iets zondigs, een tekort, dat er in zijn verleden was geweest in die lange tijd dat Hij ‘in wijsheid en welgevallen bij God en bij de mensen’  was opgegroeid in Nazareth bij zijn ouders. De doop ondergaan is voor Hem een daad van solidariteit. Hij wil met de zondaars solidair zijn, hetzelfde ondergaan wat zij moeten ondergaan. Hij wil zich in hun duisternis onderdompelen om de gevolgen daarvan helemaal te delen, wat hem na enkele jaren zal voeren tot de dood op het kruis, een misdadigersdood! Hun doopsel van bekering delende, wil hij hen een weg bieden om uit die duisternis te komen en met Hem de opgang naar het licht te maken! Langs Hem kunnen de zondaars bevrijding vinden en tot nieuw leven komen. Sterker dan de impact van de doop van Johannes, kunnen zondaars bij Hem een bevrijdende weg vinden naar nieuw leven.

Johannes de DoperIn het doopsel van Johannes werd iets weggenomen: kwaad, schuld, duisternis. Een hernieuwde, gereinigde persoon stond uit het water op. Nu kwam het er op aan voor de pasgedoopte als nieuwe mens te gaan leven. Johannes noemt voor zijn publiek een aantal concrete voorbeelden op hoe dat nieuwe leven zou kunnen worden ingevuld: brengt vruchten voort die passen bij de bekering! En hij noemt op: wie dubbele kleding heeft, laat hij delen met wie niets heeft, wie voedsel heeft, laat hij hetzelfde doen. Tollenaars, jullie tonen jullie goed gedrag door ‘niet méér te vragen dan wat voor hen is vastgesteld’ (geen woekerwinsten) en soldaten: jullie moeten niemand uitplunderen, niemand afpersen, tevreden zijn met jullie soldij. De doop moet worden omgezet in daden van concrete liefde, anders zou het doopwater voor niets hebben gevloeid.

Wanneer Jezus en zijn volgelingen de doop in hun programma opnemen, dan is het (in eerste instantie) met dezelfde bedoeling als bij Johannes: een reinigend bad aanbieden, uitmondend in daden van liefde en gerechtigheid. Maar Jezus gaat het om veel meer. Er komt een dimensie bij die Johannes doop niet kende. Dat is in één woord samen te vatten: de dopeling wordt in de christelijke doop de HEILIGE GEEST geschonken (in het doopritueel symbolisch uitgedrukt in de zalving meteen na de doop met chrisma, een welriekende zalf, die vervolgens ook bij het Vormsel, sacrament bij uitstek van de gave van de heilige Geest, gebruikt zal worden. De verbinding Geest en zalving, hoorden we in de tweede lezing vandaag uit de Handelingen: God heeft hem gezalfd met de heilige Geest en met kracht!  Zoals koningen, profeten en priesters werden gezalfd in het oude Israël.

Wat voor meerwaarde voegt het komen van de Heilige Geest toe aan de al zo rijke waarde van het doopsel op zichzelf?
Die meerwaarde heeft alles te maken met wat er met Jezus gebeurt, zo gauw hij uit het water omhoog komt. Ik zei al: Jezus neemt de in duisternis verkerende zondaar mee omhoog in de opgang naar het licht. Dat licht dat is te zien na zijn doop: het is het licht dat straalt vanuit de hemel die open ging. Er zijn enkele oude handschriften van het Evangelie van Mattheus, waarin dat licht met zoveel woorden ook wordt opgenoemd. De zin luidt: toen Hij gedoopt werd kwam er een geweldig licht dat Hem omstraalde, zodat allen van vrees vervuld waren, die waren toegestroomd!  Deze zin is niet in onze officiële Evangelietekst gekomen, maar de inhoud ervan past geheel bij het doopgebeuren. In dat omstralende licht komt de Heilige Geest in de gedaante van een witte duif neer over Jezus en blijft op Hem rusten. De onzichtbare Vader is wel niet te zien, maar wel te horen in de stem, die klinkt: dit is mijn Zoon, de veelgeliefde, in wie ik mijn welbehagen vindt.  Het hele trinitaire geheim wordt in dit licht zichtbaar in zijn onzichtbaarheid. Het is in dit trinitaire mysterie, dat de dopeling wordt ingewijd en opgenomen. Bij de christelijke doop komt er een glans van licht, van eeuwig licht, over de dopeling heen en dat geldt niet slechts bij de doop van een volwassene, maar net zozeer als het om de doop van een pasgeboren kindje gaat. Luister maar naar het mooie gedicht van Michel van der Plas, dat hij schreef naar aanleiding van de kinderdoop:
Iets aan een kind heeft vleugels, of het van boven kwam. Of het de ziel van een engel mee naar de aarde nam. Of het hier neergestreken, natrillend van zijn vlucht, ons een groet kwam brengen uit de hemelse lucht. Iets aan een kind wil vliegen zolang het leven mag. Iets heeft altijd heimwee naar de eeuwige dag. Altijd en eeuwig heimwee waar het nooit van geneest. In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

In de dienaar van Jahwe (genoemd in de eerste lezing uit de profeet Jesaja op deze zondag van de doop) herkende de jonge kerk onmiddellijk Jezus, haar Meester. dienaar van JahweWe hoorden de Heer zeggen in die lezing: mijn Geest stort ik over hem uit. En dan volgt er wat die geest omvat aan rijke gaven, waar dus ook de volgelingen van Jezus, die de geest ontvangen, deelachtig aan worden. (Of we er altijd naar zullen leven is een tweede, maar het moet wel het uitgangspunt zijn van al ons handelen zijn.) Zo wordt van de dienaar gezegd: hij zal  in waarheid gerechtigheid laten stralen voor de volkeren (en we weten maar al te goed door de conflicten die er in de wereld zijn, hoe belangrijk gerechtigheid is: vrede komt er slechts als er éérst gerechtigheid wordt beoefend.). Dan staat er: Hij schreeuwt niet en verheft zijn stem niet (Helaas, het kwaad, de zonde roept luid, schreeuwt, maakt lawaai. Dit lawaai is voor 80% het onderwerp van nieuws in kranten en op de T.V.. Het goede is verborgen, het zet zich in stilte voort). Dan staat er : het geknakte riet zal hij niet breken, de walmende vlaspit niet doven: je kunt b.v. denken hoe iemand een hoogbejaarde of dodelijk zieke medemens verzorgt en deze verzorging tot het einde toe volhoudt. Deze persoon wordt niet in de steek gelaten en geholpen om de overgang door de dood heen naar het eeuwig leven te maken. Dus de Geest van God brengt een mentaliteit van mededogen en deernis met zich mee, die zich uit in liefde voor God en de medemens. Dan zegt God tot de dienaar: Ik neem u bij de hand en waak over u en maak u voor de mensen tot een teken van mijn verbond en tot een licht voor de volkeren. Wel, dit wordt waar in iedere gedoopte: God waakt over deze, neemt hem op in zijn liefdevolle zorg en vraagt ‘licht’ te zijn. Zo zal Jezus ook spreken: wees een stad op de berg, overal te zien, wees een lamp op de kandelaar in woorden en daden! Onze doop, ooit ondergaan, brengt verplichtingen met zich mee, was niet alleen een reiniging,  maar vooral het ontvangen van de Geest, die bezieling brengt, die een missionaire taak geeft aan iedere gedoopte naar de medemens toe in de wereld van onze tijd, waar zoveel gewetens verduisterd zijn en de ware, gezonde leer niet meer gezien wordt.
Laten we de ontvangen doopgenade niet slapen en de schat in de grond begraven liggen, maar er op uit gaan: liefhebben, goed doen, barmhartig zijn.
God moge ons helpen. Amen.

Afdrukken E-mail