30 september - 26ste Zondag door het jaar

Bentlage 6
B - JAAR

Alle lezingen van de

26ste Zondag door het jaar





Eerste Lezing: Uit het boek Numeri 11,25-29.

In die dagen
daalde de HEER neer in een wolk,
sprak tot Mozes en legde een deel van de geest
die op Mozes rustte, op de zeventig oudsten.
En toen de geest op hen rustte, profeteerden zij,
maar later hebben zij het niet meer gedaan.
Nu waren er twee mannen in het kamp gebleven.
De een heette Eldad, de ander Medad.
Ook op hen rustte de geest
- zij stonden op de lijst al waren zij niet naar de tent gegaan -
en zij profeteerden in het kamp.
Een jongen ging het ijlings aan Mozes vertellen en zei:
“Eldad en Medad zijn aan het profeteren in het kamp.”
Jozua, de zoon van Nun,
die reeds als jongeman in dienst van Mozes gekomen was,
zei daarop tot Mozes:
“Mijn heer, dat moet u hun verbieden.”
Mozes zei hem:
“Waarom komt u voor mij op?
Ik zou willen dat heel het volk van de HEER profeteerde
en dat de HEER zijn geest op hen legde.”

Tweede Lezing: Uit de brief van de heilige apostel Jacobus 5,1-6

Broeders en zusters,

Gij die rijk zijt:
weent en jammert om de rampen die over u komen.
Uw rijkdom is verrot,
uw mooie kleren zijn door motten aangetast,
uw goud en zilver is verroest.
Die roest zal tegen u getuigen
en als een vuur uw vlees verteren.
Schatten hebt gij verzameld,
terwijl het de laatste dagen zijn.
Hoort,
het loon dat gij hebt onthouden
aan de arbeiders die uw velden hebben gemaaid
roept luid,
en de kreten van uw oogsters zijn doorgedrongen
tot de oren van de Heer der heerscharen.
Gij hebt op aarde gezwelgd en gebrast,
gij hebt u vetgemest voor de dag van de slachting.
Gij hebt de rechtvaardige gevonnist en vermoord;
hij heeft geen verweer tegen u.

Evangelie: Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus 9,38-43.45.47-48

In die tijd zei Johannes tot Jezus:
“Meester, we hebben iemand die ons niet volgt,
in uw naam duivels zien uitdrijven,
en we hebben getracht het hem te beletten
omdat hij geen volgeling van ons was.”
Maar Jezus zei:
“Belet het hem niet,
want iemand die een wonder doet in mijn Naam
zal niet zo grif ongunstig over Mij spreken.
Wie niet tegen ons is, is voor ons.
Als iemand u een beker water te drinken geeft
omdat gij van Christus zijt, voorwaar Ik zeg u:
zijn loon zal hem zeker niet ontgaan.
Maar als iemand
een van deze kleinen die geloven, aanleiding tot zonde geeft,
het zou beter voor hem zijn
als men hem een molensteen om de hals deed en in zee wierp.
Dreigt uw hand u aanleiding tot zonde te geven,
hak ze af;
het is beter voor u verminkt het leven binnen te gaan
dan in het bezit van twee handen in de hel te komen,
in het onblusbaar vuur.
Het is beter voor u kreupel het leven binnen te gaan
dan in het bezit van twee voeten in de hel te worden geworpen.
Het is beter voor u met één oog het Rijk Gods binnen te gaan
dan in het bezit van twee ogen in de hel te worden geworpen,
waar hun worm niet sterft en het vuur niet gedoofd wordt.”




Afdrukken E-mail