8 april - 2de Zondag van Pasen

Bentlage 6
B - JAAR

Alle lezingen van de

2de Zondag van Pasen



Eerste Lezing: Uit de Handelingen der Apostelen 4,32-35

De menigte die het geloof had aangenomen
was één van hart en één van ziel
en er was niemand die iets van zijn bezittingen
zijn eigendom noemde;
integendeel, zij bezaten alles gemeenschappelijk.
Met kracht en klem legden de apostelen getuigenis af
van de verrijzenis van de Heer Jezus
en rijke genade rustte op hen allen.
Er was geen enkele noodlijdende onder hen,
omdat allen die landerijen of huizen bezaten deze verkochten
en de opbrengst ervan meebrachten
om aan de voeten van de apostelen te leggen.
Aan ieder werd daarvan uitgedeeld naar zijn behoefte.

Tweede Lezing: Uit de eerste brief van de heilige apostel Johannes 5,1-6

Vrienden,

iedereen die gelooft dat Jezus de verlosser is,
is een kind van God.
Welnu, wie de vader liefheeft
bemint ook het kind.
Willen wij God liefhebben en zijn geboden onderhouden,
dan moeten wij ook Gods kinderen liefhebben.
Dat is onze maatstaf.
God beminnen wil zeggen:
zijn geboden onderhouden
en zijn geboden zijn niet moeilijk te onderhouden
want ieder die uit God geboren is
overwint de wereld.
En het wapen waarmee wij de wereld overwinnen
is geen ander dan ons geloof.
Niemand kan de wereld overwinnen dan hij die gelooft
dat Jezus de Zoon van God is.
Hij is het die gekomen is met water en bloed,
Jezus Christus.

Evangelie: Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes 20,19-31

Op de avond van de eerste dag van de week,
toen de deuren van de verblijfplaats der leerlingen
gesloten waren uit vrees voor de Joden,
kwam Jezus binnen,
ging in hun midden staan en zei:
“Vrede zij u.”
Na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde.
De leerlingen
waren vervuld van vreugde toen zij de Heer zagen.
Nogmaals zei Jezus tot hen:
“Vrede zij u.
Zoals de Vader Mij gezonden heeft
zo zend Ik u.”
Na deze woorden blies Hij over hen en zei:
“Ontvangt de heilige Geest.
Als gij iemand zonden vergeeft,
dan zijn ze vergeven,
en als gij ze niet vergeeft,
zijn ze niet vergeven.”

Tomas, een van de twaalf, ook Dídymus genaamd,
was echter niet bij hen toen Jezus kwam.
De andere leerlingen vertelden hem:
“Wij hebben de Heer gezien.”
Maar hij antwoordde:
“Zolang ik in zijn handen niet het teken van de nagelen zie,
en mijn vinger in de plaats van de nagelen kan steken,
en mijn hand in zijn zijde kan leggen,
zal ik zeker niet geloven.”
Acht dagen later waren zijn leerlingen weer in het huis bijeen,
en nu was Tomas erbij.
Hoewel de deuren gesloten waren kwam Jezus binnen,
ging in hun midden staan en zei:
“Vrede zij u.”
Vervolgens zei Hij tot Tomas:
“Kom hier met uw vinger en bezie mijn handen.
Steek uw hand uit en leg die in mijn zijde
en wees niet langer ongelovig maar gelovig.”
Toen riep Tomas uit:
“Mijn Heer en mijn God!”
Toen zei Jezus tot hem:
“Omdat ge Mij gezien hebt gelooft ge?
Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben.”
In het bijzijn van zijn leerlingen
heeft Jezus nog vele andere tekenen gedaan,
welke niet in dit boek zijn opgetekend,
maar deze hier zijn opgetekend opdat gij moogt geloven
dat Jezus de Christus is, de Zoon van God,
en opdat gij door te geloven
leven moogt in zijn Naam.

Afdrukken E-mail

Archief 2019