31 maart - Paasnachtwake - jaar B

Lezing 1: Uit het boek Genesis 1,1-2,2

In het begin schiep God de hemel en de aarde.
De aarde was woest en leeg;
duisternis lag over de diepte
en een hevige wind joeg de wateren op.
Toen sprak God:
“Er moet licht zijn!”
En er was licht.
En God zag dat het licht goed was.
God scheidde het licht van de duisternis;
het licht noemde God dag,
en de duisternis noemde Hij nacht.
Het werd avond en het werd ochtend;
dat was de eerste dag.
God sprak:
“Er moet een uitspansel zijn tussen de wateren,
een afscheiding tussen het ene water en het andere.”
En God maakte het uitspansel;
Hij scheidde het water onder het uitspansel
van het water erboven.
Zo gebeurde het.
Het uitspansel noemde God hemel.
Het werd avond en het werd ochtend;
dat was de tweede dag.
God sprak:
“Het water onder de hemel moet naar één plaats samenvloeien,
zodat het droge zichtbaar wordt.”
Zo gebeurde het.
Het droge noemde God land,
en het samengevloeide water noemde Hij zee.
En God zag dat het goed was.
God sprak:
“Het land moet zich tooien met jong groen gras,
zaadvormend gewas
en vruchtbomen die ieder naar zijn soort
hun vruchten dragen
met zaad erin.”
En uit het land schoot jong groen gras op,
zaadvormend gewas, in allerlei soorten,
en bomen die ieder naar zijn soort hun vruchten droegen,
met zaad erin.
En God zag dat het goed was.
Het werd avond en het werd ochtend;
dat was de derde dag.
God sprak:
“Er moeten lichten zijn aan het hemelgewelf,
die de dag van de nacht zullen scheiden;
zij moeten als tekens dienen,
zowel voor de feesten, als voor de dagen en de jaren
en tevens als lampen aan het hemelgewelf
om de aarde te verlichten.”
Zo gebeurde het.
God maakte de twee grote lampen,
de grootste om over de dag te heersen,
de kleinste om te heersen over de nacht
en Hij maakte ook de sterren.
God gaf ze een plaats aan het hemelgewelf
om de aarde te verlichten,
om te heersen over de dag en over de nacht
en om het licht en de duisternis uiteen te houden.
En God zag dat het goed was.
Het werd avond en het werd ochtend;
dat was de vierde dag.
God sprak:
“Het water moet wemelen van dieren
en boven het land moeten de vogels vliegen
langs het hemelgewelf.”
Toen schiep God de grote gedrochten van de zee
en al de krioelende dieren waar het water van wemelt,
soort na soort,
en al de gevleugelde dieren,
soort na soort.
En God zag dat het goed was.
God zegende ze en Hij sprak:
“Weest vruchtbaar en wordt talrijk;
gij moet het water van de zee bevolken
en de vogels moeten talrijk worden op het land.”
Het werd avond en het werd ochtend;
dat was de vijfde dag.
God sprak:
“Het land moet levende wezens voortbrengen
van allerlei soort:
tamme dieren, kruipende dieren
en wilde beesten van allerlei soort.”
Zo gebeurde het.
God maakte de wilde beesten, soort na soort,
de tamme dieren, soort na soort.
En God zag dat het goed was.
God sprak:
“Nu gaan wij de mens maken,
als beeld van ons,
op ons gelijkend;
hij zal heersen over de vissen van de zee,
de vogels van de lucht,
over de tamme dieren, over alle wilde beesten
en over al het gedierte dat over de grond kruipt.”
En God schiep de mens als zijn beeld;
als het beeld van God schiep Hij hem;
man en vrouw schiep Hij hen.
God zegende hen en God sprak tot hen:
“Weest vruchtbaar en wordt talrijk,
bevolkt de aarde en onderwerpt haar;
heerst over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht
en over al het gedierte dat over de grond kruipt.”
En God sprak:
“Hierbij geef Ik alle zaadvormende gewassen
op de hele aardbodem aan u
en alle bomen met zaaddragende vruchten:
zij zullen u tot voedsel dienen.
Maar aan alle wilde beesten,
aan alle vogels van de lucht
en aan alles wat over de grond kruipt,
aan al wat dierlijk leven heeft
geef Ik het groene gras als voedsel.”
Zo gebeurde het.
God bezag alles wat Hij gemaakt had
en Hij zag dat het heel goed was.
Het werd avond en het werd ochtend;
dat was de zesde dag.
Zo werden de hemel en de aarde voltooid
en alles waarmee ze toegerust zijn.
Op de zevende dag
bracht God het werk dat Hij verricht had tot voltooiing.
Hij rustte op de zevende dag van het werk dat Hij verricht had.

Lezing 2: Uit het boek Exodus 14,15-15,1

In die dagen sprak de HEER tot Mozes:
“Wat roept gij Mij toch?
Beveel de Israëlieten verder te trekken.
Gij zelf moet uw hand opheffen,
uw staf uitstrekken over de zee en ze in tweeën splijten.
Dan kunnen de Israëlieten
over de droge bodem door de zee trekken.
Ik ga de Egyptenaren halsstarrig maken
zodat zij hen achterna gaan.
En dan zal Ik Mij verheerlijken ten koste van Farao
en heel zijn legermacht,
zijn wagens en zijn wagenmenners.
De Egyptenaren zullen weten dat Ik de HEER ben,
als Ik Mij verheerlijk ten koste van Farao,
zijn wagens en zijn wagenmenners.”
De engel van God
die aan de spits van het leger der Israëlieten ging,
veranderde van plaats en stelde zich achter hen op,
tussen het leger van de Egyptenaren
en het leger van de Israëlieten.
De wolk bleef die nacht donker
zodat het heel die nacht niet tot een treffen kwam.
uittochtToen strekte Mozes zijn hand uit over de zee
en de HEER deed die hele nacht
door een sterke oostenwind de zee terugwijken.
Hij maakte van de zee droog land
en de wateren spleten vaneen.
Zo trokken de Israëlieten over de droge bodem de zee door,
terwijl de wateren links en rechts een wand vormden.
De Egyptenaren zetten de achtervolging in;
alle paarden van Farao, zijn wagens en zijn wagenmenners
gingen achter de Israëlieten aan
de zee in.
Tegen de morgenwake richtte de HEER zijn blikken
vanuit de wolkkolom en de vuurzuil
op de legermacht van de Egyptenaren
en bracht ze in verwarring.
Hij liet de wielen van de wagens scheeflopen
zodat ze slechts met moeite vooruit kwamen.
De Egyptenaren riepen uit:
“Laten we vluchten voor de Israëlieten,
want de HEER strijdt voor hen tegen ons.”
Toen sprak de HEER tot Mozes:
“Strek uw hand uit over de zee,
dan zal het water terugstromen over de Egyptenaren
en hun wagens en wagenmenners.”
Mozes strekte zijn hand uit over de zee
en toen het licht begon te worden
vloeide de zee naar haar gewone plaats terug.
Daar de Egyptenaren er tegenin vluchtten
dreef de HEER hen midden in de zee.
Het water vloeide terug
en overspoelde wagens en wagenmenners,
heel de strijdmacht van Farao die de Israëlieten
op de bodem van de zee achterna waren gegaan.
Niet één bleef gespaard.
De Israëlieten daarentegen waren over de droge bodem
door de zee heen getrokken,
terwijl de wateren links en rechts van hen een wand vormden.
Zo redde de HEER op deze dag Israël uit de greep van Egypte:
Israël zag de Egyptenaren dood op de kust liggen.
Toen Israël het machtige optreden van de HEER tegen Egypte gezien had,
kreeg het volk ontzag voor de HEER:
zij stelden vertrouwen in de HEER en in Mozes zijn dienaar.
Toen hieven Mozes en de Israëlieten
ter ere van de HEER een lied aan.

Lezing 3: Uit de profeet Jesaja 54,5-14

Hij die u schiep…
Hij is uw Bruidegom, Hij is uw Schepper;
zijn Naam is: HEER der Hemelse Machten;
Hij wordt genoemd: Uw verlosser
Israëls Heilige, God van Geheel de Aarde!
Een verlaten, zielsbedroefde vrouw zijt gij
maar de HEER roept u weer bij uw naam.
Want – zo zegt uw God –
kan iemand de geliefde van zijn jeugd wel verstoten?
In een plotselinge opwelling heb Ik u in de steek gelaten
maar met een grote barmhartigheid zoek Ik u weer op;
In een vlaag van toorn
heb Ik voor een ogenblik mijn aangezicht van u afgewend
maar – zo spreekt de HEER, uw Verlosser –
met een eeuwige liefde ontferm Ik Mij weer over u.
Zoals Ik ten tijde van Noach gezworen heb
dat de wateren de aarde nooit meer zouden bedekken,
zo zweer Ik nu nooit meer op u vertoornd te zijn
en u nooit meer te bedreigen.
Want de bergen mogen wankelen,
de heuvels schudden,
maar mijn trouw jegens u zal niet wankelen
en mijn verbond van liefde niet breken,
zegt de HEER die u barmhartig is.
Ongelukkige Stad, door stormen geplaagd en troosteloos,
zie, uw grondvesten leg Ik met jaspis,
uw fundamenten met saffier;
uw tinnen maak Ik van robijnen,
uw poorten van karbonkels,
uw muren van kostbare stenen.

Uw kinderen zullen door de HEER onderricht worden
en een diepe vrede valt uw zonen ten deel.
Gij zult gegrondvest zijn op gerechtigheid:
weet u dus vrij van onderdrukking:
gij hebt niets te vrezen!
En vrij van verschrikking:
want geen verschrikking zal u nog ooit overvallen!

Lezing 4: Uit de brief van de H. apostel Paulus aan de Christenen van Rome 6,3-11

Broeders en zusters,

Gij weet toch dat de doop
waardoor wij één zijn geworden met Christus Jezus
ons heeft doen delen in zijn dóód?
Door de doop in zijn dood zijn wij met Hem begraven,
opdat ook wij een nieuw leven zouden leiden
zoals Christus door de macht van zijn Vader
uit de doden is opgewekt.
Zijn wij één met Hem geworden door het beeld van zijn dood
dan moeten wij Hem ook volgen in zijn opstanding,
in de overtuiging dat onze oude mens met Hem gekruisigd is;
daardoor is aan het bestaan in de zonde een einde gekomen,
zodat wij niet langer aan de zonde dienstbaar zijn.
Want wie gestorven is
is rechtens vrij van de zonde.
Indien wij dan met Christus gestorven zijn
geloven wij dat wij ook met Hem zullen leven;
want wij weten dat Christus,
eenmaal van de doden verrezen,
niet meer sterft:
de dood heeft geen macht meer over Hem.
Door de dood die Hij gestorven is
heeft Hij eens voor al afgerekend met de zonde;
het leven dat Hij leeft heeft alleen met God van doen.
Zo moet ook gij uzelf beschouwen:
als dood voor de zonde
en levend voor God in Christus Jezus.

Evangelie: Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus 16,1-8

Graf Jezus

Toen de sabbat voorbij was kochten Maria Magdalena,
Maria de moeder van Jakobus,
en Salóme
welriekende kruiden om Hem te gaan balsemen.
Op de eerste dag van de week,
heel vroeg,
toen de zon juist op was,
gingen zij naar het graf.
Maar ze zeiden tot elkaar:
‘Wie zal de steen
voor ons van de ingang van het graf wegrollen?’

Opkijkend bemerkten ze echter dat de steen weggerold was;
en deze was zeer groot.
Binnengetreden in het graf
zagen ze tot hun ontsteltenis
aan de rechterkant een jongeman zitten in een wit gewaad.
Maar hij sprak tot haar:
“Schrikt niet.
Gij zoekt Jezus de Nazarener die gekruisigd is.
Hij is verrezen,
Hij is niet hier.
Kijk, dit is de plaats waar men Hem neergelegd had.
Gaat aan zijn leerlingen en aan Petrus zeggen:
Hij gaat u voor naar Galilea;
daar zult ge Hem zien, zoals Hij u gezegd heeft.”
De vrouwen ging naar buiten en vluchtten weg van het graf,
want schrik en ontsteltenis hadden hen overweldigd.
En uit vrees zeiden ze er niemand iets van.

Afdrukken E-mail

Archief 2019