25 maart - Palmzondag - jaar B

Bentlage 6
B - JAAR

Alle lezingen van

Palmzondag






Eerste lezing:


Evangelie van de intocht: Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus 11,1-10

Toen Jezus en zijn leerlingen Jeruzalem naderden,
in de richting van Betfage en Betanie op de olijfberg,
zond Hij twee van zijn leerlingen uit met de opdracht:
“Gaat naar het dorp daar vóór u,
en bij uw binnenkomst is het eerste dat ge zult vinden een veulen dat vastgebonden staat
en waarop nog nooit iemand gezeten heeft;
maakt dat los en brengt het hier.
En als iemand u de aanmerking maakt:
Wat doet ge daar?
antwoordt dan:
De Heer heeft het nodig
maar Hij stuurt het spoedig weer hier terug.”
Zij gingen weg en vonden een veulen vastgebonden aan een deur buiten op straat.
Ze maakten het los
maar sommige mensen die daar in de buurt stonden
riepen hun toe: “Wat doet ge daar, om zo maar dat veulen los te maken ?"
Ze antwoordden zoals Jezus hun had gezegd
en de mensen lieten hen ongemoeid.
Ze brachten het veulen bij Jezus,
legden er hun mantels overheen
en Hij ging er op zitten.
Velen spreidden hun mantels op de weg uit,
anderen groene takken die ze in het veld gehakt hadden.
De mensen die Hem omstuwden, jubelden:
“Hosanna;
Gezegend de Komende in de naam des Heren;
Geprezen het komende koninkrijk van onze vader David!
Hosanna in den hoge!"

Eerste lezing:  Uit de profeet Jesaja 50,4-7

God de HEER heeft mij de gave van het woord geschonken:
ik versta het de ontmoedigden moed in te spreken.
Elke morgen spreekt Hij zijn woord,
elke morgen richt Hij het woord tot mij
en ik luister met volle overgave.
God de HEER heeft tot mij gesproken
en ik heb mij niet verzet,
ik ben niet teruggedeinsd.
Mijn rug bood ik aan wie mij sloegen,
mijn wangen aan wie mij de baard uitrukten,
en mijn gezicht heb ik niet afgewend
van wie mij smaadden en mij bespuwden.
God de HEER zal mij helpen:
daarom zal ik niet beschaamd staan
en zal ik geen spier vertrekken.
Ja, ik weet dat ik niet te schande zal worden.

Tweede lezing: Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Filippi 2,6-11

Broeders en zusters,

Hij, die bestond in goddelijke majesteit
heeft zich niet willen vastklampen
aan de gelijkheid met God.

Hij heeft zichzelf ontledigd
en het bestaan van een slaaf op zich genomen.
Hij is aan de mensen gelijk geworden.

En als mens verschenen
heeft Hij zich vernederd
door gehoorzaam te worden tot de dood,
tot de dood aan het kruis.

Daarom heeft God Hem hoog verheven
en Hem de naam verleend
die boven alle namen is.

Opdat bij het noemen van zijn Naam
zich iedere knie zou buigen
in de hemel, op aarde en onder de aarde,
en iedere tong zou belijden,
tot eer van God de Vader:
Jezus Christus is de Heer.

Passieverhaal: Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

(Over twee dagen was het feest van Pasen
en van het ongedesemde brood.
De hogepriesters en de schriftgeleerden zochten
op welke manier zij Jezus door list zouden kunnen grijpen
en Hem ter dood zouden kunnen brengen.
Want ze dachten:
“Niet op het feest;
er mochten anders eens onlusten ontstaan onder het volk.”
Terwijl Jezus zich te Betanië bevond
in het huis van Simon de Melaatse
en daar aan tafel aanlag,
kwam er een vrouw met een albasten vaasje echte,
zeer dure nardusbalsem.
Zij brak het vaasje stuk en goot de inhoud uit over zijn hoofd.
Sommigen waren er verontwaardigd over en zeiden onder elkaar:
“Waar is die verkwisting van de balsem nu voor nodig geweest?
De balsem had voor meer dan driehonderd denaries
verkocht kunnen worden ten bate van de armen.”
Toen zij tegen haar uitvoeren sprak Jezus:
“Laat haar met rust.
Waarom valt ge haar lastig?
Het is toch goed werk dat zij aan Mij heeft gedaan.
Armen hebt gij altijd in uw midden
en gij kunt hun weldoen wanneer ge maar wilt;
maar Mij hebt gij niet altijd.
Zij heeft gedaan wat in haar macht was;
zij heeft mijn lichaam op voorhand gezalfd
met het oog op mijn begrafenis.
Voorwaar, Ik zeg u:
waar ook ter wereld
de Blijde Boodschap verkondigd zal worden,
zal tevens ter herinnering aan haar
verhaald worden wat zij gedaan heeft.”
Hierop ging Judas Iskariot, een van de twaalf,
naar de hogepriesters om Hem aan hen uit te leveren.
Dezen waren blij toen ze dat hoorden en beloofden hem geld.
Hij zocht naar een gunstige gelegenheid om Hem uit te leveren.

Op de eerste dag van het ongedesemde brood,
de dag waarop men het paaslam slacht,
zeiden zijn leerlingen tot Hem:
“Waar wilt Gij dat wij voorbereidselen gaan treffen
zodat Gij het paasmaal kunt houden?”
Hij zond daarop twee van zijn leerlingen uit met de opdracht:
“Gaat naar de stad
en daar zult ge een man tegenkomen
die een kruik water draagt;
volgt hem
en zegt aan de eigenaar van het huis waar hij binnengaat:
De Meester laat vragen:
Waar is de zaal voor Mij
waar Ik met mijn leerlingen het paasmaal kan houden?
Hij zal u dan een grote bovenzaal laten zien
met rustbedden en van al het nodige voorzien;
maakt daar alles voor ons klaar.”
De leerlingen vertrokken,
gingen de stad binnen,
en vonden alles zoals Hij het hun gezegd had
en maakten het paasmaal gereed.
Toen de avond gevallen was kwam Hij met de twaalf.
Terwijl zij aan tafel aanlagen
en de maaltijd aan de gang was zei Jezus:
“Voorwaar, Ik zeg u:
een van u zal Mij overleveren,
een die met Mij eet.”
Droefheid maakte zich van hen meester
en zij begonnen, de een na de ander Hem te vragen:
“Ik ben het toch niet?”
Hij antwoordde hun:
“Een van de twaalf, die met Mij in de schotel doopt.
Wel gaat de Mensenzoon heen zoals van Hem geschreven staat,
maar wee de mens
door wie de Mensenzoon wordt overgeleverd!
Het zou beter voor hem zijn als hij niet geboren was,
die mens!”
Onder de maaltijd nam Jezus brood,
sprak de zegen uit,
brak het en gaf het hun, met de woorden:
“Neemt,
dit is mijn lichaam.”
Daarna nam Hij de beker
en na het spreken van het dankgebed reikte Hij hun die toe
en zij dronken allen daaruit.
En Hij sprak tot hen:
“Dit is mijn bloed van het Verbond,
dat vergoten wordt voor velen.
Voorwaar, Ik zeg u:
Ik zal niet meer drinken van wat de wijnstok voortbrengt
tot op de dag waarop Ik het, nieuw
zal drinken in het Koninkrijk van God.”
Nadat zij de lofzang gezongen hadden
gingen zij naar de Olijfberg.

Toen sprak Jezus tot hen:
“Allen zult gij ten val komen,
want er staat geschreven:
Ik zal de herder slaanen de schapen zullen verstrooid worden.
Maar na mijn verrijzenis zal Ik u voorgaan naar Galilea.”
Toen zei Petrus:
“Al komen allen ten val, ik zeker niet.”
Jezus antwoordde hem:
“Voorwaar, Ik zeg u:
nog heden,
nog deze nacht
voordat de haan tweemaal kraait
zult juist gij Mij driemaal verloochenen.”
Maar met nog meer nadruk verzekerde Petrus:
“Al moest ik met U sterven,
in geen geval zal ik U verloochenen.”
In diezelfde geest spraken allen.

Zij kwamen nu aan een landgoed dat Getsemane heette.
Daar zei Hij tot zijn leerlingen:
“Blijft hier zitten terwijl Ik bid.”
Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee
en begon zich ontsteld en beangst te gevoelen.
Hij sprak tot hen:
“Ik ben bedroefd tot stervens toe.
Blijft hier en waakt.”
Nadat Hij een weinig verder was gegaan
wierp Hij zich ter aarde
en bad dat dit uur, als het mogelijk was,
aan Hem mocht voorbijgaan.
“Abba, Vader,
– zo bad Hij –
voor U is alles mogelijk;
laat deze beker Mij voorbijgaan.
Maar toch: niet wat Ik, maar wat Gij wilt.”
Toen ging Hij terug en vond hen in slaap;
en Hij sprak tot Petrus:
“Simon, slaapt ge?
Ging het dan uw krachten te boven één uur te waken?
Waakt en bidt
dat gij niet op de bekoring ingaat.
De geest is wel gewillig maar het vlees is zwak.”
Opnieuw verwijderde Hij zich en bad met dezelfde woorden.
En teruggekomen vond Hij hen weer in slaap
want hun oogleden waren zwaar;
ze wisten niet wat ze Hem moesten antwoorden.
Toen Hij voor de derde maal terugkwam sprak Hij tot hen:
“Slaapt dan maar door en rust uit.
Het is zover,
het uur is gekomen;
zie, de Mensenzoon
wordt overgeleverd in de handen van de zondaars.
Staat op,
laten we gaan:
mijn verrader is nabij.”
Hij was nog niet uitgesproken of daar kwam Judas,
een van de twaalf,
vergezeld van een bende met zwaarden en knuppels,
gestuurd door de hogepriesters, schriftgeleerden en oudsten.
Zijn verrader had een teken met hen afgesproken door te zeggen:
“Die ik zal kussen Hij is het;
grijpt Hem vast en voert Hem onder strenge bewaking weg.”
Hij ging recht op Jezus af en zei:
“Rabbi!”
En hij kuste Hem.
Zij grepen Hem en maakten zich van Hem meester.
Maar een van die er bij stonden trok zijn zwaard
en sloeg met één houw de knecht van de hogepriester het oor af.
Daarna richtte Jezus zich tot hen met de woorden:
“Als tegen een rover
zijt ge uitgetrokken met zwaarden en knuppels
om Mij gevangen te nemen.
Dagelijks gaf Ik onderricht bij u in de tempel
en toch hebt ge Mij niet gegrepen.
Maar zo moesten de Schriften in vervulling gaan.”
Toen lieten allen Hem in de steek en namen de vlucht.
Toch ging een jongeman
die een linnen doek om het blote lichaam had geslagen
Hem achterna.
Ze grepen hem,
maar hij liet zijn kleed in de steek en vluchtte naakt weg.
Men bracht Jezus naar de hogepriester,
waar alle hogepriesters,
oudsten en schriftgeleerden bijeenkwamen.
Petrus volgde Hem op een afstand
tot op de binnenplaats van het paleis van de hogepriester
en nam plaats onder het dienstvolk
om zich bij het vuur te warmen.
De hogepriesters en het hele Sanhedrin
zochten naar een getuigenis tegen Jezus
om Hem ter dood te kunnen brengen,
maar zij vonden er geen.
Wel brachten velen valse getuigenissen tegen Hem in
maar hun getuigenissen stemden niet overeen.
Toen traden enige valse getuigen tegen Hem op die verklaarden:
“Wij hebben Hem horen zeggen:
Ik zal deze door mensenhanden gemaakte tempel afbreken
en in drie dagen een andere opbouwen
die niet door mensenhanden is gemaakt.”
Maar ook daaromtrent was hun getuigenis niet eensluidend.
Toen stond de hogepriester in hun midden op
en hij vroeg aan Jezus:
“Geeft Gij in het geheel geen antwoord?
Wat getuigen deze mensen tegen U?”
Maar Jezus bleef zwijgen en gaf volstrekt geen antwoord.
Daarop stelde de hogepriester Hem nog een vraag:
“Zijt Gij de Christus, de Zoon van de Gezegende?”
Jezus antwoordde:
“Ja, dat ben Ik:
en gij zult de Mensenzoon zien zitten
aan de rechterhand van de Macht
en komen met de wolken des hemels.”
Toen scheurde de hogepriester zijn gewaad en riep uit:
“Waartoe hebben wij nog getuigen nodig?
Ge hebt de godslastering gehoord.
Wat dunkt U?”
Allen spraken het vonnis uit
dat Hij de dood verdiende.
Daarop begonnen sommigen Hem te bespuwen en,
na zijn gelaat bedekt te hebben,
Hem met de vuist te slaan terwijl ze zeiden:
“Wees nu eens profeet!”
Ook de knechten dienden Hem slagen toe.
Terwijl Petrus zich beneden op de binnenplaats bevond
kwam daar één van de dienstmeisjes van de hogepriester.
Toen zij Petrus zag die zich zat te warmen,
keek ze hem eens aan en zei:
“Jij was ook bij Jezus de Nazarener.”
Maar hij ontkende het:
“Ik weet niet, ik begrijp niet wat je bedoelt.”
En terwijl hij wegging naar het poortgebouw kraaide een haan.
Maar toen het meisje hem daar opmerkte,
verzekerde ze nog eens aan de omstanders:
“Die is er ook een van.”
Hij ontkende het opnieuw.
Even daarna zeiden de omstanders op hun beurt tot Petrus:
“Waarachtig, jij bent er ook een van;
je bent toch ook een Galileeër.”
Toen begon hij te vloeken en te zweren:
“Ik ken die man niet waarover jullie het hebben.”
Onmiddellijk daarop kraaide een haan voor de tweede keer.
Nu herinnerde Petrus zich hoe Jezus tot hem gezegd had:
Voordat een haan tweemaal kraait,
zult ge Mij driemaal verloochenen.
En hij barstte in tranen uit.

In de vroege morgen kwamen zij tot een besluit:
de hogepriesters met de oudsten en schriftgeleerden,
heel het Sanhedrin.
Zij boeiden Jezus,
voerden Hem weg
en leverden Hem uit aan Pilatus.
Pilatus stelde Hem de vraag:
“Zijt Gij de koning der Joden?”
Hij antwoordde hem:
“Gij zegt het.”
Toen de hogepriesters vele beschuldigingen tegen Hem inbrachten
ondervroeg Pilatus Hem weer en zei:
“Geeft Gij in het geheel geen antwoord?
Zie eens wat voor beschuldigingen ze tegen U inbrengen.”
Maar Jezus gaf volstrekt geen antwoord meer,
zodat Pilatus verbaasd was.

Nu was hij gewoon bij elk feest één gevangene vrij te laten,
degene om wie zij vroegen.
Er zat juist een zekere Barabbas gevangen onder de oproermakers;
zij hadden bij het oproer een moord begaan.
Het volk kwam opzetten en begon te vragen
dat hij voor hen zou doen zoals altijd.
Pilatus antwoordde daarop met de vraag:
“Wilt ge dat ik de koning der Joden zal vrijlaten?”
Hij zag wel in dat de hogepriesters Hem uit nijd overgeleverd hadden.
Maar de hogepriesters hitsten het volk op
te vragen dat hij toch liever Barabbas moest vrijlaten.
Nu nam Pilatus weer het woord en vroeg hun:
“Wat moet ik dan doen met Hem
die gij de koning der Joden noemt?”
Nu schreeuwden ze opnieuw:
“Kruisig Hem!”
Daarop vroeg Pilatus hun:
“Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan?”
Maar zij schreeuwden nog harder:
“Kruisig Hem!”
Omdat Pilatus het volk zijn zin wilde geven
liet hij Barabbas vrij,
maar Jezus liet hij geselen
en gaf Hem over om gekruisigd te worden.

Nu brachten de soldaten Hem het paleis binnen,
dat wil zeggen het pretorium,
en riepen de hele afdeling bij elkaar.
Ze hingen Hem een purperen kleed om,
vlochten een doornenkroon en zetten Hem die op.
Vervolgens gingen zij Hem het saluut brengen:
“Gegroet, koning der Joden.”
Zij sloegen Hem met een rietstok op het hoofd,
bespuwden Hem
en brachten Hem hulde door op de knieën te vallen.
Nadat zij hun spel met Hem gedreven hadden
ontdeden zij Hem van het purperen kleed,
trokken Hem zijn eigen kleren aan
en voerden Hem weg om Hem te kruisigen.
Zij vorderden een voorbijganger die van het veld kwam,
Simon van Cyrene, de vader van Alexander en Rufus,
tot het dragen van zijn kruis.
Zo brachten ze Hem naar de plaats Golgota,
wat vertaald wordt met schedelplaats.
Daar boden ze Hem met mirre gekruide wijn aan,
maar Hij weigerde.
Nadat ze Hem gekruisigd hadden verdeelden ze zijn kleren
en dobbelden om wat ieder krijgen zou.
Het was het derde uur toen ze Hem kruisigden.
Het opschrift met de reden van zijn veroordeling luidde:
De koning der Joden.
Samen met Hem kruisigden ze ook twee rovers,
de een rechts de ander links van Hem.
Zo ging in vervulling dit Schriftwoord:
Hij is onder de booswichten gerekend.
Voorbijgangers hoonden Hem
terwijl ze het hoofd schudden en zeiden:
“Ha, Gij daar
die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt,
kom van het kruis af en red U zelf.”
In dezelfde geest zeiden de hogepriesters en de schriftgeleerden
spottend onder elkaar:
“Anderen heeft Hij gered
maar zichzelf kan Hij niet redden.
Die Messias, die koning van Israël,
laat Hem nu van het kruis afkomen;
dan zullen we zien en geloven!”
Zelfs die samen met Hem gekruisigd waren
voegden Hem beschimpingen toe.

Vanaf het zesde uur viel er een duisternis over het hele land,
tot aan het negende uur toe.
En op het negende uur riep Jezus met luider stem:
“Eloï, Eloï, lama sabaktani!”
Dit is vertaald:
Mijn God, mijn God,
waarom hebt Gij Mij verlaten?
Enkele omstanders die het hoorden zeiden:
“Hoor, Hij roept Elia.”
Een van hen ging een spons halen,
drenkte die in zure wijn,
stak hem op een rietstok
en bood Hem te drinken terwijl hij zei:
“Laat me begaan!
We willen eens zien of Elia Hem eraf komt halen.”
Jezus slaakte een luide kreet en gaf de geest.

Toen scheurde het voorhangsel van de tempel
van boven tot onder in tweeën.
De honderdman die tegenover Hem post had gevat en zag
dat Hij onder zulke omstandigheden de geest had gegeven
riep uit:
“Waarlijk, deze mens was een Zoon van God.”

Er stonden ook vrouwen op een afstand toe te kijken;
onder hen bevonden zich Maria Magdaléna,
Maria, de moeder van Jakobus de jongere en van Joses,
en Salóme.
Zij waren Hem in de tijd dat Hij in Galilea verbleef
gevolgd om voor Hem te zorgen;
verder nog vele andere vrouwen
die met Hem naar Jeruzalem gekomen waren.
Het was al avond geworden
en het was Voorbereiding,
dat wil zeggen de dag voor de sabbat.
Jozef van Arimatéa,
een vooraanstaand lid van de Hoge Raad,
die zelf ook in de verwachting van het Rijk Gods leefde,
waagde het daarom naar Pilatus te gaan
en te vragen om het lichaam van Jezus.

Pilatus stond er verwonderd over dat Hij reeds dood zou zijn;
hij liet dan ook de honderdman roepen
en vroeg hem of Hij al gestorven was.
Nadat hij door de honderdman op de hoogte was gebracht
stond hij welwillend het lijk aan Jozef af.
Deze kocht een lijnwaad,
nam Hem van het kruis
en wikkelde Hem in het lijnwaad.
Daarop legde hij Hem in een graf
dat in de rots was uitgehouwen
en rolde een steen voor de ingang ervan.
Maria Magdalena en Maria de moeder van Joses
zagen toe waar Hij werd neergelegd.

Afdrukken E-mail