18 februari - 1ste Zondag van de Vasten - jaar B

Bentlage 6
B - JAAR

Alle lezingen van de

1ste van de Vasten







Eerste lezing:
Uit het boek Genesis 9,8-15

Dit zei God tot Noach en zijn zonen:
“Nu ga Ik mijn verbond aan met u en met uw nageslacht,
en met alle levende wezens die bij u zijn,
met de vogels en de viervoetige dieren,
met alle dieren van de aarde die bij u zijn,
met al wat uit de ark is gekomen,
al het gedierte van de aarde.
Ik ga met u een verbond aan
dat nooit meer enig levend wezen
door het water van de vloed zal worden uitgeroeid
en dat er zich nooit meer
een vloed zal voordoen om de aarde te verwoesten.”
En God zei:
“Dit is het teken van het verbond
dat Ik instel tussen Mij en u
en alle levende wezens die bij u zijn,
voor alle geslachten.
Ik zet mijn boog in de wolken;
die zal het teken zijn van het verbond
tussen Mij en de aarde.
Wanneer Ik op de aarde de wolken samenpak
en de boog in de wolken zichtbaar wordt,
dan zal Ik denken aan het verbond
tussen Mij en u en alle levende wezens,
alles wat leven heeft.
De wateren zullen nooit meer zwellen
tot een vloed om al wat leeft te verdelgen.”

Tweede lezing: Uit de eerste brief van de heilige apostel Petrus 3,18-22

Broeders en zusters,

Christus is
eens voor al
gestorven voor de zonden
– de Rechtvaardige voor de onrechtvaardigen –
om ons tot God te brengen.
Gedood naar het vlees
werd Hij ten leven gewekt naar de geest.
Zo ging Hij heen en predikte voor de geesten in de kerker,
die eertijds, in de dagen dat Noach de ark bouwde,
weerspannig waren geweest,
terwijl God in zijn lankmoedigheid geduld oefende.
In de ark bleven slechts enkelen, niet meer dan acht personen
behouden te midden van het water.
Dit was een voorafbeelding van het doopwater
waardoor gij nu gered wordt.
De doop beoogt niet de verwijdering van lichamelijke onreinheid
maar de verbintenis met God van een goed geweten,
krachtens de opstanding van Jezus Christus
die ten hemel gevaren zetelt aan Gods rechterhand,
nadat engelen en machten en krachten
aan Hem onderworpen zijn.

Evangelie: Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus 1,12-15

In die tijd dreef de Geest Jezus naar de woestijn.
Veertig dagen bracht Hij in de woestijn door,
terwijl Hij door de satan op de proef werd gesteld.
Hij verbleef bij de wilde dieren
en de engelen bewezen Hem hun diensten.
Nadat Johannes was gevangen genomen
ging Jezus naar Galilea
en verkondigde Gods Blijde Boodschap.
Hij zei:
“De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij;
bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap.”

Afdrukken E-mail

Archief 2019