23 april - Zondag v.d. Barmhartigheid (jaar A)

bijbel1 Alle lezingen van Beloken Pasen (Jaar A)

Eerste lezing:
Uit de Handelingen der Apostelen 2,42-47

De eerste christenen legden zich ernstig toe
op de leer der apostelen,
bleven trouw aan het gemeenschappelijk leven
en ijverig in het breken van het brood en het gebed.
Ontzag beving eenieder,
want door de apostelen
werden vele wonderbare tekenen verricht.
Allen die het geloof hadden aangenomen,
waren eensgezind en bezaten alles gemeenschappelijk.
Ze waren gewoon hun bezittingen en goederen te verkopen
en die onder allen te verdelen naar ieders behoefte.
Dagelijks bezochten ze trouw en eensgezind de tempel,
braken het brood in een of ander huis,
genoten samen hun voedsel
in blijdschap en eenvoud van hart,
loofden God en stonden bij het hele volk in de gunst.
En elke dag bracht de Heer er meer bijeen,
die gered zouden worden.

Tweede Lezing: Uit de eerste brief van de heilige apostel Petrus 1,3-9

Dierbaren,

Gezegend is God,
de Vader van onze Heer Jezus Christus,
die ons in zijn grote barmhartigheid
deed herboren worden tot een leven van hoop
door de opstanding van Jezus Christus uit de dood.
Een onvergankelijke, onbederfelijke, onaantastbare erfenis
is voor u weggelegd in de hemel.
In Gods kracht geborgen door het geloof,
wacht gij op het heil, dat al gereed ligt
om op het eind van de tijd geopenbaard te worden.
Dan zult gij juichen,
ook al hebt gij nu, als het zo moet zijn,
voor een korte tijd te lijden
onder allerlei beproevingen.
Maar die zijn nodig
om de deugdelijkheid van uw geloof te bewijzen,
uw geloof,
dat zoveel kostbaarder is dan vergankelijk goud,
dat toch ook door vuur gelouterd wordt.
Dan zal, wanneer Jezus Christus zich openbaart,
lof, heerlijkheid en eer uw deel zijn.
Hem hebt gij lief zonder Hem ooit gezien te hebben.
In Hem gelooft gij,
ofschoon gij Hem ook nu niet ziet.
Hoe onuitsprekelijk,
hoe hemels zal uw vreugde zijn,
als gij het einddoel van uw geloof,
uw redding,
bereikt.

Evangelie: Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes 20,19-31

Op de avond van de eerste dag van de week,
toen de deuren van de verblijfplaats der leerlingen
gesloten waren uit vrees voor de Joden,
kwam Jezus binnen,
ging in hun midden staan en zei:
"Vrede zij u.”
Na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde.
De leerlingen
waren vervuld van vreugde toen zij de Heer zagen.
Nogmaals zei Jezus tot hen:
"Vrede zij u.
Zoals de Vader Mij gezonden heeft
zo zend Ik u.”
Na deze woorden blies Hij over hen en zei:
"Ontvangt de heilige Geest.
Als gij iemand zonden vergeeft,
dan zijn ze vergeven,
en als gij ze niet vergeeft,
zijn ze niet vergeven.”
Tomas, een van de twaalf, ook Didymus genaamd,
was echter niet bij hen toen Jezus kwam.
De andere leerlingen vertelden hem:
"Wij hebben de Heer gezien.”
Maar hij antwoordde:
"Zolang ik in zijn handen niet het teken van de nagelen zie,
en mijn vinger in de plaats van de nagelen kan steken,
en mijn hand in zijn zijde leggen,
zal ik zeker niet geloven.”
Acht dagen later waren zijn leerlingen weer in het huis bijeen,
en nu was Tomas er bij.
Hoewel de deuren gesloten waren kwam Jezus binnen,
ging in hun midden staan en zei:
"Vrede zij u.”
Vervolgens zei Hij tot Tomas:
"Kom hier met uw vinger en bezie mijn handen.
Steek uw hand uit en leg die in mijn zijde
en wees niet langer ongelovig maar gelovig.”
Toen riep Tomas uit:
"Mijn Heer en mijn God !”
Toen zei Jezus tot hem:
"Omdat ge Mij gezien hebt gelooft ge?
Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben.”
In het bijzijn van zijn leerlingen
heeft Jezus nog vele andere tekenen gedaan
die niet in dit boek zijn opgetekend,
maar deze hier zijn opgetekend opdat gij moogt geloven
dat Jezus de Christus is,
de Zoon van God,
en opdat gij door te geloven
leven moogt in zijn Naam.

Afdrukken E-mail