16 april - Pasen (jaar A)

bijbel1 Alle lezingen van de Paaszondag

Verrijzenis van de Heer A

Eerste Lezing: Uit de Handelingen der Apostelen 10,34a.37-43

In die dagen nam Petrus het woord en sprak:

“Gij weet wat er overal in Judea gebeurd is;
hoe Jezus van Nazaret zijn optreden begon in Galilea
na het doopsel dat Johannes predikte,
en hoe God Hem gezalfd heeft
met de heilige Geest en met kracht.
Hij ging weldoende rond
en genas allen
die onder de dwingelandij van de duivel stonden,
want God was met Hem.
En wij zijn getuigen van alles
wat Hij in het land van de Joden en in Jeruzalem gedaan heeft.
Hem hebben ze aan het kruishout geslagen en vermoord.
God heeft Hem echter op de derde dag doen opstaan
en laten verschijnen,
niet aan het hele volk
maar aan de getuigen die door God tevoren waren uitgekozen,
aan ons die met Hem gegeten en gedronken hebben
nadat Hij uit de doden was opgestaan.
Hij gaf ons de opdracht aan het volk te prediken, en te getuigen
dat Hij de door God aangestelde rechter is
over de levenden en de doden.
Van Hem leggen alle profeten het getuigenis af,
dat ieder die in Hem gelooft
door zijn Naam vergiffenis van zonde verkrijgt.”

Tweede Lezing: Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Kolosse 3,1-4

Broeders en zusters,

Als gij dan met Christus ten leven zijt gewekt
zoekt wat boven is,
daar waar Christus zetelt aan de rechterhand Gods.
Zint op het hemelse, niet op het aardse.
Gij zijt immers gestorven
en uw leven is nu met Christus verborgen in God.
Christus is uw leven,
en wanneer Hij verschijnt
zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid.

Evangelie:



Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs 28,1-10

Na de sabbat,
bij het aanbreken van de eerste dag der week,
kwamen Maria Magdalena en de andere Maria
naar het graf kijken.
Plotseling ontstond er een hevige aardbeving
en een engel van de Heer daalde uit de hemel,
kwam naderbij, rolde de steen weg
en zette zich daarop neer.
Hij straalde als een bliksemschicht
en zijn kleed was wit als sneeuw.
De bewakers begonnen van schrik voor hem te beven
en het leven scheen uit hen geweken.
De engel sprak de vrouwen aan en zei:
"Gij behoeft niet bevreesd te zijn;
ik weet dat gij Jezus zoekt, de gekruisigde.
Hij is niet hier.
Hij is verrezen zoals Hij gezegd heeft;
komt zien naar de plaats waar Hij gelegen heeft.
Gaat nu terstond aan zijn leerlingen zeggen:
Hij is verrezen van de doden,
en nu gaat Hij u voor naar Galilea; daar zult gij Hem zien.
Dat had ik u te zeggen.”
Terstond gingen zij weg van het graf,
met vrees en grote vreugde, en haastten zich
het nieuws aan zijn leerlingen over te brengen.
En zie, Jezus kwam hen tegemoet en zeide: "Weest gegroet.”
Zij traden op Hem toe,
omklemde zijn voeten en aanbaden Hem.
Toen sprak Jezus tot hen: "Weest niet bevreesd.
Gaat aan mijn broeders de boodschap brengen
dat zij naar Galilea moeten gaan,
en daar zullen zij Mij zien."

Afdrukken E-mail