Januari 2018

Voordracht Dominee Huib Klink op vrijdagavond 19 januari

Luther en het protestantisme
Een waardebepaling na 500 jaar

31 oktober 1517
Op 31 oktober 1517 timmerde Luther zijn 95 stellingen op de deur van de slotkapel van Wittenberg. Hij deed dat uit verontwaardiging. Deze was opgeroepen door het optreden van Tetzel in het hertogdom Saksen, waar Luther woonde.
Uit naam van de paus predikte Tetzel de aflaat. De mensen konden een aflaat kopen en daardoor zeker zijn van vergeving van hun overtredingen en een plaats in de hemel. Ze deden er een goed werk mee, het geld dat ze betaalden, werd immers gebruikt voor de bouw van de nieuwe Sint-Pieter in Rome.
Luther heeft zich over deze ‘prediking’ van Tetzel enorm opgewonden. Dat blijkt niet alleen uit de 95 stellingen, maar ook uit een brief die hij in die dagen schreef aan de keurvorst van Saksen, waarin hij hem opriep om aan het optreden van Tetzel een halt toe te roepen. Waarom was Luther zo verontwaardigd?
De stellingen laten het zien. Tetzel bedroog de mensen met een vals Evangelie. Want wie is de paus dat hij zonden kan vergeven? Maar er was meer: door de aflaatprediking werden de mensen misleid, ze werden onverschillig gemaakt en versterkt in een valse gerustheid, alsof het zo allemaal bij God in orde was. Beter gezegd nog: de aflaatprediking stond datgene in de weg wat Luther in de eerste stelling verwoordde: ’Christus zegt: Doet boete!’... De aflaatprediking zorgde ervoor dat de mensen niet meer wezenlijk zouden vragen naar hun heil en daardoor blokkeerde de boodchap van Tetzel de weg tot het heil.
Als pastor die verantwoordelijk was voor het heil van de zielen, kon Luther dit niet verdragen. Vandaar zijn heftige reactie. Het is dus niet zo (wat vaak gedacht wordt) dat Luther ‘slechts’ ageerde omdat het Evangelie verduisterd werd. Over het eigenlijke Evangelie vindt men in de stellingen verhoudingsgewijs weinig. Luther fulmineerde vooral omdat de paus zich op een oneigenlijke manier plaatste tussen het geweten van de mensen en God en zo de weg naar het Evangelie (de boete) blokkeerde.

Luthers reactie is volledig verklaarbaar. Zelf had hij in het klooster in Erfurt gezocht naar God en naar vergeving. Jarenlang had hij geworsteld met de vraag: ‘Hoe krijg ik een genadige God?’ Hij sprak over deze vraag met zijn biechtvader Von Staupitz, een man die veel voor hem betekend heeft. Hij verdiepte zich in Augustinus en in andere kerkvaders, evenals in de middeleeuwse godgeleerden. Hij bestudeerde de Bijbel, vooral de Psalmen en de brieven van Paulus, om maar een antwoord te vinden op deze vraag. Uiteindelijk vond hij, als door een wonder, het antwoord in Romeinen 1: 17: ‘Het Evangelie is een kracht van God, die zalig maakt wie daaraan geloven, want Gods gerechtigheid wordt daarin geopenbaard.’ Luther ontdekte: Gods gerechtigheid is een geschenk, dat ons gegeven wordt in het Evangelie. In zijn commentaar uit 1515/1516 verwoordde hij dit als volgt: ‘Het is alsof men iemand een edelsteen geeft en zou zeggen: aan deze steen heeft God een kracht verleend. Wie hem draagt, kan niet verwond worden. Wie eraan gelooft, wordt zalig. Zo is het dus: wie het Evangelie heeft, is machtig en wijs voor God en uit God.’
Het Evangelie maakt rijk en onoverwinnelijk. Wat een vreugde! Later verwoordde Luther zijn ontdekking als volgt: ‘het was mij alsof de poorten van het paradijs opengingen.’ Hij kon het Koninkrijk van God, het Koninkrijk der hemelen, binnengaan door Jezus die had gezegd: ‘Bekeert u, want het Koninkijk der hemelen is nabij gekomen.’ Hij wendde zich tot Jezus en ontving genade. De weg van de genade is dus de weg die de Bijbel wees. Deze weg moet ook de Kerk wijzen. De Kerk moet daaraan dienstbaar zijn dat de mensen de weg van berouw en geloof gaan. De kerk mag niet heersen over het geweten van de mensen. Zij moet in gehoorzaamheid voldoen aan haar meest eigenlijke opdracht die bestaat in de verkondiging: ‘Doet boete’ en kom zo tot Christus. Dat heeft Luther verwoord in zijn stellingen.

Een andere paus
In 2011 bezocht paus Benedictus XVI Erfurt, de plaats waar Luther zijn gewetensstrijd voor het aangezicht van God gestreden heeft. Hij en anderen hielden er toespraken. De paus raakte met zijn woorden het meest essentiële van de Reformatie. Benedictus XVI bracht als enige de kernvraag die Luther bezig hield, ter sprake: ‘Hoe krijg ik een genadige God?’ Hij voegde eraan toe: ‘Kennen wij Luthers’ vraag nog?’ De vraag die de paus stelde, is fundamenteel. Het is een vraag die de protestanten, als erfgenamen van Luther, zich het meest moeten aantrekken. Leeft Luthers vraag nog in het protestantisme? Als dat niet het geval is, waaraan ligt dat dan? Is het wellicht omdat er zich opnieuw wolken tussen God en het innerlijk van de mens geschoven hebben, waardoor wij niet tot boete komen en wellicht opnieuw onverschillig zijn geworden en op een verkeerd spoor gebracht zijn?
De vraag dringt zich op hoe Luther tot zijn zoeken naar de genadige God is gekomen. Het antwoord is niet moeilijk te vinden. Heel Luthers prediking en theologie maakten dit duidelijk. Luther kwam tot de vraag naar Gods genade en tot boete doordat de Wet van God tot hem sprak. Hoe sprak de Wet tot hem en wat zei de Wet?

Uit een brief uit 1516 wordt dat duidelijk. Hij vertelde aan een medebroeder waar hij in zijn kloostertijd tegenaan gelopen is. Eigenlijk vertelde hij hem dat er twee manieren zijn waarop de Wet op onze levens kan inwerken.
De eerste manier had desastreuze gevolgen en ontwrichtte Luther innerlijk. Dat gebeurde in de tijd dat hij dacht dat hij zelf de Wet moest vervullen. In die tijd werd de Wet voor hem een tiran. Luther ontmoette er de toorn van God. Hij beleefde deze zo diep dat hij op een bepaald moment bewusteloos in zijn kloostercel werd aangetroffen. Zijn geestkracht had het begeven.
Later keek Luther kritisch terug op deze periode. Op deze manier had hij niet met de Wet mogen omgaan. Waar lag de fout? De fout lag hierin dat hij van mening was dat hij door zijn eigen inspanning aan de Wet kon voldoen. Hij begreep toen niet waar de Wet toe diende. De Wet moest niet gebruikt worden als een instrument om het behoud te verdienen, door goede werken, boete etc. De Wet moest gebruikt worden op die manier waarop God het heeft bedoeld: als een pedagoog (opvoeder) naar Christus. In een later gehouden preek gaf hij in een prachtig beeld weer wat hij bedoelde. Hij vertelde daarin over Mozes, die de Wet ontving op de Sinaï. Toen Mozes de berg afkwam, straalde zijn gezicht zo sterk, dat niemand hem kon aanzien. De heiligheid van God lag over zijn gezicht. Wie kon dat verdragen? Veel later zien ook de discipelen Mozes – op de berg der verheerlijking. Dan straalt Jezus Gods licht uit. Mozes staat naast Hem, evenals Elia. De discipelen kunnen Mozes, naast Jezus en ondergeschikt aan Jezus, wèl aanzien. De Wet is een dienaar van het Evangelie. Evenals de profeten wijst hij heen, duwt en stuwt hij voort naar het Evangelie. Dat is het juiste gebruik van de Wet.
De vraag is hoe dit ‘gebruik’ eruit ziet.

De Wet zoals Luther die ontdekte
De eerste belangrijke opmerking die we hierbij kunnen maken is: Luther zag in dat de Wet van Mozes wat de kern betreft, overeenkomt met de gerechtigheid die in de schepping ligt, en die zijn weerklank heeft in het geweten van de mens.
Er resoneert in de mens een wet die Luther de natuurlijke Wet noemt – deze ‘Wet’ komt niet van Mozes, d.w.z. Mozes plant deze ‘Wet’ niet in ons gemoed. Deze ‘Wet’ is er al. Luther zegt: ‘Mozes is niet de auteur van deze Wet, hij geeft alleen uitleg aan deze Wet en hij is de illustrator van de Wet die in de geest van elk mens geschreven is.’ Het is dus als met een boek met een lastige tekst. Iemand geeft in de rand uitleg en door illustraties stelt hij voor ogen wat de tekst wil zeggen. Zo legt Mozes de Wet uit die in het innerlijk van de mens geschreven is en geeft hij er door de bijbelverhalen illustraties bij. Mozes activeert het geweten door de Wet. De mens is immers geen dier. ‘Al zou een dier honderdduizend keer de Wet horen, dan is zijn ziel nog niet zo gemaakt dat hetgeen hij hoort, daarin valt. Bij een mens is dat anders: Als hij de Wet hoort, zegt hij al gauw: ja, het is zo, ik kan het niet ontkennen.’ ‘Deze stem is zwak en bijna verstomd, maar als de Wet gehoord wordt, kan men er niet omheen te zeggen: ja zo is het, zoals het gebod het zegt.’ God spreekt dus niet alleen in de Bijbel, maar allereerst in het innerlijk van de mens. Alleen Gods stem is, zoals Luther zegt, ‘door boze lusten en valse liefde verduistert’, zodat de mens er niet op let. Daarom is wetgeving nodig, zodat hij aan dit ‘natuurlijk licht’ herinnerd wordt en ‘zijn eigen hart hem voor ogen wordt gesteld.’ Deze stem van God moet dus gewekt worden door Gods geboden.
De geboden komen dus overeen met de orde die God in de schepping gelegd heeft. Ze openen de ogen daarvoor en vragen er eerbied voor.
De Wet kan men samenvatten met één woord: ‘eerbied’. De Wet wekt eerbied doordat hij de ogen opent voor het goede van Gods ordening die Hij in de schepping gelegd heeft. De Wet laat het goede ervan zien en zorgt ervoor dat het hart van de mens open gaat omdat hij dit goede erkent en in het licht daarvan zichzelf leert kennen. Want op het moment dat Gods goedheid die in de schepping gegeven is, oplicht, dringt zich vanzelf de vraag aan de mens op: hoe bent u daarmee omgegaan? Hebt u God liefgehad boven alles en uw naaste als uzelf? Op die manier bewerkt de Wet berouw en verdriet om de zonde en stuwt hij naar Christus voor vergeving.
De Wet mag dus niet zo functioneren dat men hem op eigen kracht wil vervullen, maar juist zo dat hij steeds weer herinnert aan de goede orde van God, die men gaat eren, terwijl men vergeving zoekt bij Christus (zie Psalm 119). Dankzij het besef dat God vergeeft, kun je Gods goedheid in de schepping zien en beamen. Als je er niet van weten zou dat God vergeven wil, zou je je afsluiten van de Wet en vertwijfelen. Maar deze vergeving moet steeds weer gezocht worden. En de Wet prikkelt daartoe. Luther kwam er in zijn protest tegen Tetzel voor op dat de Wet deze uitwerking zou blijven hebben.

Kennen wij de Wet nog?
De vraag is of men binnen het protestantisme deze werking van de Wet nog op waarde weet te schatten. Vaak is dat niet het geval. Dat ligt aan verschillende ontwikkelingen die zich in de afgelopen 500 jaar voorgedaan hebben. Ik stip de belangrijkste aan:
- Het rationalisme dat zich in de 17e en 18e eeuw van de geesten meester maakte. Door de ratio te verabsoluteren (een ontwikkeling die Luther heeft voorzien!) vertechnificeerde het zicht op de werkelijkheid, waardoor de diepte van Gods orde in de schepping niet meer gepeild werd. De wet van de wijsheid die in de schepping ligt werd tot natuurwet. Daardoor vervreemdde men van de schepping. Men vervreemdde ook van de historie. Men kende niet meer de God van Abraham, Izaäk en Jacob, maar alleen nog de God van de filosofen (Pascal).
- De orthodoxie. De leer van Luther en Calvijn werd door de orthodoxie op een dogmatisch-rationele manier gesystematiseerd en doorgegeven. Dit had tot gevolg dat zij steriel werd en de harten niet meer aansprak.
- Als reactie daarop ontstond het piëtisme met zijn grote nadruk op het innerlijk van de mens en op het werk van de Heilige Geest in de mens. Het zondebesef werd echter in belangrijke mate losgemaakt van de schepping en tot een puur innerlijk gebeuren. Van een band tussen de Wet, de schepping en het innerlijk van de mens was geen sprake meer. Berouw werd een gave waarvan je maar af moest wachten of je het ontving. Het geloof kreeg een sterk individualistische inslag en soms iets dopers, doordat het werk van de Geest los kwam te staan van de schepping en eerbied voor Gods orde. De gevolgen daarvan zijn tot op vandaag te zien in sommige delen van het kerkelijke leven en in evangelische kringen.
- Deze nadruk op de innerlijkheid (los van de scheppingsorde) werd nog sterker toen het geloof op nog grotere schaal dan voordien werd geïsoleerd van de historie. Dit werd in de hand gewerkt door het scepticisme van vrijdenkers in de 18e eeuw, door het idealisme van de 19 eeuw in Duitsland en door de bijbelkritiek, die in dit krachtenveld opkwam. Het geloof dreigde zijn historische wortels te verliezen. Het wonderkarakter van het geloof werd ontkend door de liberalen, die nog wel ruimte hielden voor een Godsbesef, maar dat los van de verlossende kracht van het Evangelie kwam te staan.
- Als reactie daarop kwam in de 20e eeuw het barthianisme op dat zich keerde tegen het liberalisme maar ook tegen de genoemde verinnerlijking. In eerste instantie was het Evangelie dat Barth predikte vanuit de openbaring van Christus kritisch van toon naar de hele aardse werkelijkheid. In tweede instantie ontkende Barth de eigenstandige openbaring van God in de schepping en in de Wet, waardoor alleen het ‘Evangelie’ overbleef. Schepping en geschiedenis werden geabsorbeerd door de verkondiging van de vergeving en verloren hun eigenstandig karakter. De genade werd een kenprincipe van waaruit de hele werkelijkheid benaderd wordt, een vooronderstelling van dogmatische aard, die op de werkelijkheid gedrukt wordt. Dit geeft aan het Evangelie iets oneigenlijks en ontneemt de Wet zijn functie als pedagoog tot Christus.
- Het gevolg van het barthianisme is geweest dat velen die zuchtten onder een piëtistische prediking in de eenzijdige prediking van het barthiaanse ‘Evangelie’ een uitweg vonden en zo nog verder van de schepping en van het innerlijk van de mens, waarin de Wet is afgedrukt, kwamen te staan.

In het licht van de geschetste ontwikkelingen is de vraag gerechtvaardigd of zich tussen God en de enkeling niet opnieuw veel geplaatst heeft, dat maakt dat de mens van vandaag (ook in het protestantisme) geen plaats meer vindt voor berouw (Luther zou zeggen: boete). De reden daarvan is dat de Wet in het protestantisme – voor zover deze nog gepredikt wordt en functioneert
- geen verband heeft met de schepping
- en/of geabsorbeerd is door het ‘Evangelie’.
Zo heeft de Wet zijn functie als opvoeder tot Christus verloren en is het Evangelie van de genade als het ware in de lucht komen te hangen.

De gevolgen
De gevolgen hiervan zijn ernstig – allereerst voor de Westerse samenleving, waarin de kerk nauwelijks meer een betekenisvolle plaats heeft. Immers: de Westerse samenleving kent de Wet nauwelijks meer. Wie houdt er nog rekening met het gebod van God, met Mozes?
Als het echter waar is wat Luther in navolging van Paulus onderstreepte, dat de Wet geschreven is in het hart van de mensen, dan heeft ook de hedendaagse mens tóch te maken met de Wet. Alleen mist ook hij de juiste omgang met deze Wet die in zijn innerlijk geschreven is. Wat is immers deze Wet? Een hunkering naar hoe het ooit was, naar het volmaakte, zoals Augustinus zei: ‘Want wij zijn door U en tot U geschapen en onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in U, o God.’ Als de mens met deze ‘Wet’ leeft, los van Gods openbaring, zoekt hij in zijn onrust zijn heil in allerlei dingen. Deze ‘dingen’ variëren van ordinaire geldzucht, carrièredrift, seksualiteit, gezondheidscultus, de cultus van de vrije tijd of het werk etc. tot het aanhangen van allerlei ideologieën die het paradijs op aarde beloven. De idee dat volstrekte vrijheid om zijn eigen leven in te richten zoals men wil, het heil zal brengen, heeft in de huidige wereld grote aantrekkingskracht. Op elke orde, die tot voor kort vast stond moet inbreuk worden gemaakt. En de Kerk, die wellicht nog herinnert aan deze orde en aan de innerlijke Wet die daarmee correspondeert, wordt als een geweldige hindernis gezien. Zij blokkeert de vrijheid waarvan men zich voorstelt dat daarin het heil gelegen is. De stem van God in het innerlijk kun je echter niet volledig smoren. Deze stem wordt tot een worm die niet sterft.
Welk een zegen zou het zijn als de moderne mens deze stem weer juist weet te interpreteren, zoals dat Luther gegeven was.

Actualiteit
Daarmee zijn we aangekomen bij de actualiteit van wat Maarten Luther op 31 oktober 1517 deed. Deze kan wellicht het best geïllustreerd worden aan de hand van de geschiedenis van de vrouw uit Samaria (Johannes 4).
De Here Jezus Christus is op reis van Jeruzalem naar Galilea. Als Hij alleen bij een bron zit, komt er midden op de dag een vrouw. Zij komt om water te putten. Jezus vraagt haar om Hem wat water te geven. Ze kan die opdiepen met haar emmer. Ze kijkt er van op. Hij is een man en vooral: Hij is een Jood. En Hij vraagt dit van een vrouw uit Samaria, iemand uit het volk waarmee de Joden op vijandige voet staan? Ze uit haar verwondering. Daarop zegt Hij iets dat nóg verwonderlijker is: ‘Als u eens wist wie Hij is die u om water vraagt, dan zou u Hem erom vragen en Hij zou het u geven.’ Over welk water spreekt Jezus? Het is duidelijk dat Hij een ander soort water bedoelt dan zij uit de put omhoog komt halen. Hij heeft het ook over een ander soort dorst dan de dorst naar gewoon water. Daarmee peilt Hij wat in haar leeft en omgaat: zij heeft dorst naar iets anders.
God heeft in haar leven, in haar hart, een dorst gelegd naar Hemzelf. Het is een dorst die niets en niemand kan lessen, ook al heeft de vrouw dat niet door. Deze dorst heeft God in ieder mens gelegd – alleen verreweg de meeste mensen beseffen dat niet of willen dat niet beseffen. Ze proberen de dorst te lessen met allerlei dingen; die geen echt soelaas bieden. Daardoor wordt de dorst steeds sterker en wordt ze gevoeld als een diep gapende leegte.
De Here Jezus opent de ogen van de vrouw voor die dorst in haar, waaraan zij tot zojuist niet dacht of niet wilde denken. Of voelt ze ergens aan wat Hij bedoelt als Hij zegt dat wie van het water drinkt dat Hij geeft, ‘nooit meer dorst zal hebben’? Vraagt ze om die reden – in het schemergebied van het beseffen en niet-beseffen wat Hij bedoelt –: ‘Geef U mij van dit water!’?
Dan gebeurt het: heel fijnzinnig en voorzichtig legt Jezus de vinger op de wonde plek: ‘Ga uw man halen en kom hier en Ik zal het u geven.’ ‘Ik heb geen man.’ ‘Dat hebt u terecht gezegd, u hebt vijf mannen gehad en degene met wie u nu woont, is uw man niet.’ Wat doet Jezus hier? Hij legt de vinger op die plek waar deze vrouw zich had vergist. Zij zocht haar dorst te lessen bij een man, bij wat hij haar kon bieden en werd teleurgesteld – keer op keer. De relatie bood niet wat ze ervan verwachtte. Lag het aan haar, steeds weer? Of lag het aan de ander – elke keer opnieuw? Hoe dan ook: hier lag het punt in haar leven waar zij moest omkeren, tot zichzelf moest komen. Had zij haar dorst goed ingeschat? Kende zij haar dorst als een dorst naar God? Had zij beseft dat haar dorst naar geluk uiteindelijk een dorst was naar God, van wie ze afhankelijk was? En durfde ze dat voor zichzelf, voor God te erkennen? Ze durfde het wellicht amper, ook al omdat ze dan tegen de vraag aan zou lopen, waar ze God moest vinden. Maar duidelijk was dat zij juist doordat zij op de verkeerde plaats haar dorst zocht te lessen, de werkelijkheid geweld had aangedaan. Ze had teveel gevraagd van dit leven, omdat ze met haar diepste dorst geen raad wist. Zo was ze over grenzen heen gegaan. Dat maakte haar ongelukkig en steeds ongelukkiger tot zij een uitgebluste vrouw was. Wat was er veel misgegaan. Zie, de Wet begon te resoneren in haar hart.
En zie, degene die de dorst kon lessen, stond op een meter afstand van haar.
Wat is hier gebeurd? Het hart van deze vrouw was open gekomen voor God, doordat Christus haar wist te raken op het punt van haar diepste innerlijk en op het punt waar het was fout gegaan.

Daar was het Luther om te doen, toen hij zijn 95 stellingen timmerde aan de deur van de slotkapel. En daar ligt de actualiteit van het authentieke protestantisme. Dat protestantisme weet van het verband van de Wet met de schepping(sorde); het weet van het verband tussen de Wet en het innerlijk van de mens en zo kent het de Wet als een prikkel tot het zoeken van vergeving. Het weet kortom de geciteerde uitspraak van Augustinus op waarde te schatten.
De Reformatie begon met de stelling: Christus zegt: ‘doet boete’. Dat is het wat deze vrouw ontdekte: ‘Wendt u om, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.’
Als het protestantisme weer tot zichzelf zou komen, van hoeveel betekenis zou het dan niet kunnen zijn. Juist vandaag de dag. Want er zijn veel vrouwen en mannen en jonge mensen als deze vrouw in Samaria. Om die reden zei Jezus even later tegen zijn discipelen: ‘Sla uw ogen op en kijk naar de velden, ze zijn wit om te oogsten’ (Joh. 4: 35b).

Afdrukken E-mail