Januari 2019

Lezing: Ds. Klink - Vrijdag 18 januari

Waar liefde en recht elkaar ontmoeten

Het thema: de cultus en het recht
In de toelichting op het thema van dit oecumenisch weekend is, wordt verwezen naar Deuteronomium 16, waarin het gaat over het recht. Wat opvalt is dat voorafgaand aan het gedeelte dat betrekking heeft op het recht eerst bepalingen gegeven worden die betrekking hebben op enkele religieuze feestdagen in Israël. Dit bracht de Raad van Kerken ertoe om de vraag te stellen of dit van betekenis is. Gaat de cultus vooraf aan het recht? Anders gezegd: is het rechtsbewustzijn ingebed in en het gevolg van het participeren in de cultus? Is het zo dat het houden van de feestdagen ertoe bijdraagt dat het rechtsbewustzijn zich in Israël ontwikkelt? Is de viering op deze dagen een voorwaarde voor een gezond rechtsbewustzijn, voor wat ik wil noemen ‘liefde tot het recht’?
Dat is de vraag. Op deze vraag wil ik de lezing van deze avond toespitsen. Liefde en recht, waar raken ze elkaar? Speelt de eredienst, de cultus hierin een rol en zo ja, hoezo is dat dan – wat doet de cultus met de mens, met een samenleving?

Hanna in de tabernakel
Onwillekeurig moet ik, als het hierover gaat, denken aan het levensverhaal van Hanna. U kent misschien de geschiedenis, waarover we kunnen lezen in 1 Samuël 1. Hanna is de vrouw van Elkana. Maar, zoals dat nog mogelijk was in het vroege volksbestaan van Israël: ze is niet zijn enige vrouw. Elkana heeft een tweede vrouw: Peninna. Elkana houdt het meest van Hanna. Daar is ook alle reden toe. Ze heeft een veel sympathieker karakter dan Peninna. Ze is veel inniger gelovig.

Hanna draagt een groot verdriet mee in haar leven: ze is kinderloos. Met als gevolg dat de jaloerse Peninna, die wèl kinderen heeft, iets heeft om haar te kunnen overladen met pesterijen. Alsof het hebben van kinderen haar eigen prestatie is. Zij tergt de vrouw die ze als haar rivaal ziet. En pesterijen – iedereen weet dat – gebeuren vaak heel geniepig. Je kunt ze eindeloos herhalen èn ze hebben grote gevolgen. In het leven van degene die ze ondergaat, snijden ze diep in. Zo is het bij Hanna. Soms beklaagt ze zich bij haar man, die het voor haar opneemt en haar probeert te troosten.
   Op een dag zijn ze bij het heiligdom – naar Israëlitisch gebruik. Een keer per jaar gaan gezinnen naar de tabernakel, de tent waar God onder het volk wil wonen en waar Hij geëerd wordt. Men verblijft er enkele dagen. Op een van die dagen, worden de pesterijen van Peninna Hanna teveel. Het is tijdens het eten. Waarschijnlijk heeft Peninna een venijnige opmerking gemaakt. Hanna staat op en overmand door verdriet, loopt ze naar het heiligdom. Daar valt ze op haar knieën en bidt. Er staat letterlijk: ze stort haar hart uit voor God. Ze brengt haar verdriet bij God en zoekt bij Hem steun. Eli, de priester, ziet haar: haar lippen prevelen, haar gezicht is betraand. De priester denkt dat ze dronken is – dat kwam een enkele keer voor. Hij komt op haar af en spreekt haar bestraffend toe:
‘Mevrouw wat bent u aan het doen? Wat zijn dit voor praktijken – dronken te verschijnen in het huis van God?’ Ze kijkt omhoog en als ze zich realiseert wat hij van haar denkt, zegt ze: ‘Maar ik ben niet dronken, zoals u vermoed, ik heb mijn hart uitgestort voor God.’ Ze vertelt waarom ze zoveel verdriet heeft. De priester kijkt haar aan en merkt aan een innerlijke drang dat hij zeggen kan, wat hij daadwerkelijk zegt: ‘De God van Israël, de God van Abraham, Izaäk en Jacob, die zal ervoor zorgen dat u volgend jaar om deze tijd een zoon hebt!’ Als je goed luistert, proef je in zijn woorden het gezag dat de priester laat gelden. Je proeft er het grootse in: de God van Israël, de God van onze vaderen, die wonderen deed en machtig is – die zal dat doen.
   Je kunt je voorstellen dat Hanna eerst ongelovig kijkt. Als overdonderd. Maar aan haar gezicht, aan het opklaren ervan, kun je zien dat ze het gelooft. Stamelend brengt ze uit: ‘Dán, als dat werkelijk zo is, zal ik mijn zoon brengen naar dit heiligdom, om God te dienen.’ En inderdaad, een jaar later heeft zij een zoon en enkele jaren later brengt ze hem naar het heiligdom om daar Eli te helpen.
Het is een kleine geschiedenis, maar hij heeft iets groots. Je kunt de ontmoeting van Hanna en Eli afbeelden op een miniatuur of ikoon. En de miniatuur, die zo klein is, stelt grote dingen in het licht.

Maar dán gebeurt er iets merkwaardigs! Deze kleine geschiedenis van een eenvoudige vrouw in Israël, met haar eigen, particuliere leed, mondt uit in iets groots: in haar lofzang. En die lofzang is opvallend. Zij zingt daarin over grootse dingen: over Gods ingrijpen in de geschiedenis van Israël en in de wereld. Wat haar overkwam is er een paradigma van: God vernedert de hoogmoedige en verhoogt degene die nederig en gekweld is, maar die op Hem hoopt. Hanna spreekt zelfs over koningen en over Gods gezalfde. Met andere woorden: in het heiligdom, door haar gebed en door de stem van God die ze opving, is haar bewustzijn op zo’n manier verwijd dat zij oog krijgt voor hoe God de wereld bestuurt en recht doet, zijn belofte nakomt en trouw is. Daar zingt ze van. Je merkt: ze heeft het recht waarvan ze zingt lief!

Hanna voelde door haar leven met God haarfijn aan wat goed en kwaad is. We kunnen voorzichtig concluderen: de cultus geeft een verruiming van het bewustzijn, geeft oog voor Gods recht en liefde daarvoor.

Jesaja in de tempel
We zien dit bij de profeten, vooral bij Jesaja. In zijn jonge jaren is hij in het heiligdom in Jeruzalem, de tempel. Daar krijgt hij een visioen. Het wordt hem gegeven een blik te werpen in de hemel en iets te zien van Gods heerlijkheid. Engelen omgeven Hem en roepen ‘heilig, heilig, heilig is de God der legermachten’. Jesaja is diep onder de indruk, voelt zijn geringheid en onreinheid en roept uit: ‘Wee mij, ik ben een zondig mens!’
Daarop neemt een engel met een tang een kooltje van het altaar en komt op hem toe om er zijn lippen mee aan te raken. Zo worden ze gereinigd. Als God vervolgens vraagt: wie kan Ik zenden als profeet, roept Jesaja: mij. Profeet wordt hij – hij is de eerste profeet die profeteert over Gods koninkrijk en over zijn macht over alle volken. Voor hem spraken de profeten over Israël, hij doet het over Gods regering over de hele wereld. Dat hangt samen met het feit dat Hij als geen ander Gods heerlijkheid zag. Daardoor komt ook Gods handelen in de wereldgeschiedenis in het blikveld van de profeet. En het criterium waarnaar God handelt: zijn trouw en zijn gerechtigheid! En Jesaja heeft dat recht lief! Hij behartigt het, is er mee verweven.

We zien bij Jesaja, die waarschijnlijk van adellijke huize was dus hetzelfde patroon als bij de eenvoudige Hanna: het contact met God in de eredienst heeft tot gevolg dat het bewustzijn voor wat recht is wordt aangesproken en uitermate wordt verfijnd. Men raakt erop betrokken, men wil er in dienst van staan. Hanna wilde haar zoon brengen bij Eli, Jesaja riep: ‘Zend mij!’

Maarten Luther
Wie dit patroon in zijn leven herkend heeft is Maarten Luther. Hij werd als het ware door God naar voren geschoven op een cruciaal moment in de wereldgeschiedenis: aan het begin van de moderne tijd, het tijdvak van de renaissance. De tijd van de renaissance werd daardoor ook de tijd van de Reformatie. Luther is de man die tegen de aflaat protesteerde. Het was hem daarbij te doen om het meest kardinale element van de eredienst – het vrijwaren van de ontmoeting met God, ofwel: dat de mensen in het heiligdom God konden ontmoeten zoals Hij is en dat zij de genade van de vergeving van de zonde door Christus zouden ondervinden en ontvangen. Het was er hem om te doen dat de weg naar God vrij gehouden werd van vreemde invloeden. In het contact met God mag er waar sprake is van boete, berouw en vergeving geen ruis zijn. Daar mag ook de kerk geen ruis veroorzaken. Zij moet in dienst staan van Christus en de enkele gelovige en niet tussen hen in staan, door een verkeerde voorstelling van zaken te geven omtrent de verhouding tussen God en mens. Uit deze zorg kwam Luthers strijd tegen de aflaat voort en tegen de gedachte dat wij door onze verdienste vergeving zouden ontvangen. Die is er om niet, uit vrije genade. Dat moet de kerk prediken en de berouwvolle zondaar zeggen. Hoe het in die strijd is toegegaan en hoe het tot de Reformatie kwam, laat ik nu rusten, maar in het kader van mijn lezing, leg ik op het aspect van de ontmoeting met God in het heiligdom, in de kerk, sterke nadruk.

   Na zijn ontdekking van het Evangelie schreef Luther meerdere kleinere werkjes die laten zien met welk gemak hij zich begaf op de lastigste terreinen van het recht. Hij schreef over de verhouding van kerk en overheid, over de grenzen van het overheidsgezag met betrekking tot het geweten van het geloof van de enkele mens. Hij schreef tijdens de Boerenoorlog een pamflet waarin hij stelling nam tegen revolutionaire elementen in Duitsland. Hij schreef over het huwelijk; hij preekte over de geboden, over de bergrede enz. enz. Al in zijn commentaar op de brief aan de Romeinen voorafgaand aan 1517 schreef hij behartenswaardige dingen over het recht. Hij deed dat alles met een indrukwekkende frisheid en doortastendheid. In zijn Romeinencommentaar laakt hij de juristen die de kunst verstaan om een deelgebied van het recht uit te vergroten: ‘dit zijn mijn rechten! Hier staat die en die vorst in zijn recht!’, terwijl ze geen oog hebben voor het geheel van het recht. Daardoor chargeren ze dingen en gaan ze in tegen het recht als geheel, dat alle kleine rechtsgedingen omvat. Wie geen oog heeft voor wat hij noemt ‘het omvattende recht’, gaat ook verkeerd om met kleinere deelgebieden van het recht. Hij laat niet gelden dat er sprake is in het recht van ‘recht en billijkheid’ en dat de billijkheid de toetssteen is van het recht.

Luthers uitleg van Psalm 101
Vooral in zijn uitleg van Psalm 101 blijkt hoezeer Luthers bewustzijn van wat recht is door de ontmoeting met is God gezuiverd. Zijn uitleg van deze Psalm moet gezien worden als een vorstenspiegel, als een spiegel die hij de vorsten voor houdt – waarin ze kunnen zien hoe ze regeren moeten.
Ik haal er enkele dingen uit op, zodat u zich een indruk van dit briljante commentaar kunt vormen.
Het thema van de Psalm wordt door David zelf aangegeven: ‘Ik wil zingen van genade en recht.’ Luther merkt op: Dat is een hele onderneming. Zie die beide maar eens bij elkaar te krijgen. Het spreekwoord zegt: ‘summum jus, summum injuria’ – het hoogste recht is het hoogste onrecht. Wie altijd zijn rechten wil halen en het recht in alle situaties consequent door wil voeren richt doorgaans het grootste kwaad aan. Tegelijk geldt: ‘alleen maar genade, is louter ongenade.’ Wie altijd goed wil zijn en vergeven en niet kan straffen, werkt wanorde en ellende in de hand. Recht en genade. Ze horen bij elkaar. Elk voor zich genomen en consequent doorgevoerd leiden beide tot onrecht en chaos. Maar waarin ligt de juiste verhouding? Vind dat maar eens uit! Een gulden regel is in ieder geval dit: waar je twijfelt of je recht wilt laten gelden of barmhartig moet zijn, kies dan altijd voor het laatste.
Het tweede wat Luther aansnijdt op grond van de Psalm is dat een vorst in zijn omgeving mensen in belangrijke posities moet handhaven, die hij veel liever kwijt zou zijn. Hij kan zich echter niet veroorloven om zich van hen af te maken, zonder afbreuk te doen aan het welzijn van zijn land. Hij moet door de vingers zien en verdragen. David moest Joab en Abner verdragen – ook al wist hij dat ze een eigen koers voeren. Hij moest een Achitofel verdragen, die hem in feite slecht gezind was. Wie zijn gevoelens niet kan beheersen en degenen die hij niet mag niet te vriend kan houden, is niet in staat te regeren. Hij richt een chaos aan of wordt een tiran. Uit overwegingen van algemeen belang zet je je persoonlijke antipathie of sympathie op de tweede plaats. Met meerdere voorbeelden lardeert Luther deze gedachte en concludeert: ‘Qui nescit dissimulare nescit imperare’ (Wie niet door de vingers kan zien, kan niet regeren).
   Het derde wat hij naar voren brengt, is dat je regeren niet kunt leren uit de boeken. Op een juiste wijze regeren hangt samen met een gave die je hebt of niet hebt, met een charisma, met een Fingerspitzengefühl dat God geeft. Je hebt het of je hebt het niet. God schuift soms mensen naar voren die het hebben: ze weten bijna als vanzelf wat ze wel en niet moeten doen. Luther noemt ze Wundermänner. Ze komen voor in Israël en daarbuiten. Jozef was zo iemand, ook David. Buiten Israël gold dat van Alexander de Grote, keizer Augustus, ook van Frederik de Wijze. Wij, die later dan Luther leven, zouden zeggen: de jongere Pitt, die als negentienjarige president was van Engeland. Op een cruciaal moment in de geschiedenis treedt Churchill naar voren; hij voelde aan wat geboden was. God geeft zulke mensen, geeft hun dit charisma en Hij geeft hen ook geluk.
   Luther onderstreept daarbij heel sterk: niet iedereen heeft die gave. Als je die zo niet hebt, moet je het regeren uit de boeken hebben. Daar is niets mis mee, maar wees je er wel van bewust. Dat behoedt je voor een overmoed, waarmee je brokken maakt. Je gaat dan af op je eigen inzichten. Wees je er daarom van bewust wat je kunt en niet kunt en realiseer je (als je die gave niet hebt als die anderen, die ik noemde) dat je regeren maar stopwerk is. Dat is al belangrijk genoeg. God schenkt op zijn tijd wel weer een nieuwe held. Ga in ieder geval niet naäpen.
Luther vertelt dan een anekdote uit het leven van Hannibal. Deze was jaren generaal en ter ere van hem werd een feest gegeven. Een redenaar gaf een lofrede over hem en vertelde hoe de generaal een slag won. Hij vertelde over de strategie die hij volgde. Iedereen was er diep van onder de indruk. De enige die doorzag dat er van zijn hele strategie niets klopte en dat als hij zo te werk was gegaan, de nederlaag zeker was, was Hannibal zelf. Van het hele verhaal klopte niets. De zogenaamde strategie deugde nergens voor. Maar dat begreep alleen Hannibal. De moraal: je kunt je mooi oppoetsen als een kenner en anderen met mooie woorden om de tuin leiden, maar een echte kenner schudt zijn hoofd. Als je geen echt talent hebt, wees je daarvan bewust!
   Het is geen schande dat je bepaalde gaven niet hebt en dat je van anderen moet leren en dat je, als God je bepaalde gaven niet schonk, de mindere bent van anderen – erken dat: dan kun je van nut zijn. Anders maak je brokken.

Het natuurlijke recht en de natuurlijke rede verzelfstandigd
Als Luther dit gezegd heeft maakt hij een buitengewoon waardevolle opmerking. Hij zegt: ‘Men begint vandaag het natuurlijke recht en de natuurlijke rede aan te prijzen, alsof daaruit geheel het geschreven recht is voortgekomen. En het is terecht dat men haar prijst. Maar hierin ligt de fout dat iedereen maar denkt dat het natuurlijke recht in zijn eigen hoofd woont. Ja, als je Naäman heet, of keizer Augustus of hertog Frederik, dan zou ik het wel geloven: hoe ga je daarmee om dat je op niet in de verste verte op hen lijkt?’
Waar denkt Luther aan? In ieder geval aan een trend die zich begint voor te doen in zijn tijd.

Het opkomend humanisme
Het kan bijna niet anders of hij heeft daarbij het opkomend humanisme op het oog. De politiek historicus Baron heeft aan dat humanisme een mooie beschouwing gewijd. Hij stelt dat de renaissance aan het eind van de vijftiende eeuw pas echt zijn vruchten begint af te werpen. De renaissance begon met de ontdekking van de brieven van Cicero aan Atticus. Cicero wordt de held van Petrarca, die hem verheerlijkt. Maar Petrarca verheerlijkt vooral de oude Cicero, die zich terugtrekt uit het staatsleven en de vrije tijd roemt, die het iemand toestaat om te filosoferen over het leven: het zogenaamde otium. Ook Petrarca leidde een teruggetrokken bestaan. De generaties na Petrarca ontdekken de staatsman Cicero, die meedoet aan het volle leven en filosofie en staatkunde niet scheidt. Welnu, het leven in het Italië van hun tijd bruist van de activiteiten. De derde stand, de stand van de burgers ontwikkelt zich in de steden. Zij bedrijven handel, doen aan kunst, en hebben zitting in de regering van de stad. Hen spreekt déze Cicero aan: de ontwikkelde staatsman die het praktische leven niet uit de weg gaat. In dat praktische leven spelen belangen de voornaamste rol: geld en handel. Om die belangen veilig te stellen is de stadsraad er, is er de politiek. Wat kun je daarin beter gebruiken dan praktisch inzicht? En wat is voor praktisch inzicht belangrijker dan het ‘natuurlijke’ verstand!

Het neothomisme
Of zou Luther gedacht hebben aan het neo-thomisme, dat juist in zijn dagen opkwam. Daarin werd Thomas van Aquino op een nieuwe manier uitgelegd. De voortrekker daarvan was Cajetanus uit Padua. Zijn ideeën werden verder ontwikkeld in Leuven en vooral in Spanje, vooral in de school van de Jezuïeten in Spanje. Zij droegen uit dat het verstand toereikend is voor het leven hier op aarde. Voor het bovennatuurlijke leven is openbaring nodig, maar staatkunde en het leven hier op aarde kan geregeld worden overeenkomstig de inzichten van het natuurlijke verstand. Daarvoor is geen genade van God nodig – het verstand volstaat, het is autonoom.

Machiavelli
Of heeft Luther gedacht aan zijn tijdgenoot Machiavelli die enkele jaren daarvoor zijn Il Principe schreef, waarin hij lessen trok uit de decennia lang voortslepende factiestrijd in Florence en in veel andere steden van Italië, waarbij men moord en doodslag niet schuwde. Machiavelli stelde dat de mens in het politieke leven aangewezen is op virtu en fortuna: schranderheid en geluk.
Schrander wordt men als men zijn eigen belang op het oog heeft. Een verstandige vorst heeft dat. Het gaat hem om een ding: de handhaving van zijn stad en van zijn positie in de stad. Om dat te bereiken hoeft hij intriges en geweld niet te schuwen. Als hij niet voor zichzelf opkomt – zijn rivaal doet het wel. Daar moet je mee rekenen. Vanaf Machiavelli begint de zogenaamde staatsraison in het politieke discours zijn plaats te krijgen. Ongetwijfeld heeft Machiavelli gedacht aan de moordaanslagen op de Medici’s aan het eind van de veertiende en het begin van de vijftiende eeuw.
   Zo was de situatie in Florence, en in heel Italië, waar ook nog eens de koning van Frankrijk, de keizer hun invloed positie probeerden te versterken en hun conflicten uitvochten en waar ook de paus zich moest zien te handhaven. Dat bracht Luther ertoe om in zijn commentaar te verzuchten: ‘Italië, eens het edelste land, is nu het meest ellendige land.’
   Het edelste land – het is niet waarschijnlijk dat Luther dacht aan het tijdperk van de Romeinen. Zou hij gedacht hebben aan die periode die ook Dante verheerlijkt in de Divina Commedia, rond 1300, als hij een van zijn voorouders Florence de lof toe laat zingen. Hetzelfde Florence waar het nu, aldus Dante alleen om geld en sluwheid gaat...

Overheid en onderdanen
Een laatste opmerking over Luther. Op een heel fraaie wijze vat hij zijn gedachten over het staatsleven samen als hij zegt: het is met de overheid en de onderdanen als met een huwelijk. Er zijn vier mogelijkheden: of man en vrouw houden van elkaar, of ze haten elkaar, of de man houdt van de vrouw en de vrouw niet van de man, of de vrouw houdt van de man en de man niet van de vrouw. Hij geeft van alle vier een voorbeeld. Ideaal is als beiden van elkaar houden. Dat is een situatie als bij Solon in het oude Athene (Solon hervormde het staatwezen van Athene). Wat was het geheim van zijn tijd? Hoe stonden hij en de bevolking tegenover elkaar? Zij kenmerkten zich door ootmoed. Solon wilde de stad dienen en straalde dat ook uit. Het volk aanvaardde zijn leiding. Wanneer daarvan sprake is komen een stad, een land, een werelddeel tot bloei. Dit is een gave van God. Wanneer komt het tot afbraak van een staatsbestel? Als men niet wil dienen, als men hoogmoedig is en afgaat op het eigenbelang, of wanneer men de eigen denkbeelden koste wat kost wil doorzetten. Als men niet ootmoedig is en het recht niet zoekt.

De Wijsheid van Salomo
Wat Luther bedoelt is weergaloos beschreven in de Wijsheid van Salomo, waar de jonge koning getekend wordt met een grote mate van schroom voor de taak die hem wacht. Salomo zegt: ‘Wie ben ik dat ik regeren kan? Ik ben jong en sterfelijk. Ook ik ben maar een mens: ik huilde toen ik geboren werd, zoals iedereen en een keer ga ik het graf in, naakt. En ik zou moeten regeren? Wie kan dat zonder uw hulp, o God, zonder uw Geest. Zend mij die!’ Hij weet zich aangewezen op de Geest van God. Want door Gods Geest, zegt Salomo, krijgen wij wijsheid en doorzien we de dingen van de schepping en de geschiedenis. Die gestalte van de ootmoedige Salomo is de gestalte waarin je regeren moet. Die gestalte is de toegangspoort tot inzicht en wijsheid. En dat is veel meer dan het natuurlijke verstand dat zonder betrekking tot God autonoom de weg weet te vinden in het labyrinth van deze wereld.
   Kortom: de teneur van het boekje Wijsheid van Salomo en van Luthers uitleg van Psalm 101 is: de vreze des Heren – eerbiedig ontzag voor God is het begin van alle wijsheid. Wie God vreest en van God zegen ontvangt, ontvangt de voorwaarde voor het aanvoelen van wat recht is.
   De cultus – het staan voor God en het dienen van Hem, scherpt dus het rechtsbewustzijn. Dat besef zag Luther teloor gaan. Vandaar zijn opmerking: ‘men begint vandaag de dag de natuurlijke rede aan te prijzen, alsof men deze als kompas zou kunnen gebruiken en iedereen in staat is dit kompas te gebruiken!’

Wat de cultus met je doet - Plato
Dat brengt ons vanzelf bij de vraag waarom de cultus dan zo belangrijk is. Welk element in de cultus, in de eredienst zorgt er nu voor dat het zintuig voor het recht wordt geboren en wordt gescherpt?
   Ik weet van weinig mensen die dit zo helder onder woorden hebben gebracht als de Atheense filosoof Plato.
  Ik wijs op twee geschriften: De Wetten en de Phaedrus.

De Wetten
In het begin van de Wetten spreekt Plato over de opvoeding van kinderen. Door een juiste opvoeding gaan kinderen beseffen wat goed is en kwaad. De weg daarnaar toe is dat een kind leert welke affecten bij een bepaalde situatie horen, waar hoor je verdriet te hebben en waar blijdschap en vreugde. Waar is wat gepast? Hoe komt een kind daartoe om op de juiste momenten het juiste affect te hebben? En wanneer deze afstemming in een kind aanwezig is, hoe houdt het dat in zijn leven vast? Het leven laat vaak zien dat het levendig bewustzijn van goed en kwaad dat een kind kan hebben met de tijd verschraalt en zijn kracht verliest.
   Plato zelf werpt die vraag op. Hij geeft ook een antwoord. Daarin wijst hij op de grote betekenis van de godsdienstige feesten in Athene, ter ere van Apollo en Dionysos. Hij zegt: ‘De goden hebben zich ontfermd over het moeizaam lot dat het natuurlijke aandeel is van het menselijk geslacht. En daarom hebben zij, om onzentwille, als rustpozen temidden van onze inspanningen, de afwisseling van feesten ter ere van de goden ingesteld.’
   De goden hebben zich dus ontfermd over de mensen. Waarom hebben ze dat gedaan? Om de mensen vreugde te geven. Als de oogst is binnengebracht wordt er dankbaar gefeest. De mensen staan stil bij de vruchtbaarheid die de goden gaven. En tijdens de feesten is er de vrolijke optocht naar het heiligdom, worden er liederen gezongen, wordt er in koren gedanst. En als vanzelf worden de mensen vrolijk. En juist die gave: vrolijkheid die men gezamenlijk ontvangt in dankbaarheid, terwijl er muziek gemaakt wordt en gezongen en er reidansen zijn, heeft een opvoedkundige werking. Het stemt de geesten van de mensen af op de wereld van de goden. Dat gaat als vanzelf.
Plato wijst op de kinderen..
   Vrij vertaald zegt hij: het zal u niet ontgaan zijn dat kinderen woelwaters zijn. Er zit geen rust in hen. Ze moeten bewegen en lawaai maken. Ze kennen geen orde en maat. Maar als ze op feestdagen meedoen, in de optocht, als ze zingen en optrekken naar het heiligdom en de koren horen en als ze in reidansen meedoen, wordt de vreugde die hen eigen is gekanaliseerd. Er komt een dimensie bij. De kinderen weten waarom ze vrolijk zijn: God geeft veel goed. Daarom dansen ze en zingen ze. Maar ze doen dat in een sfeer van eerbied en dankbaarheid. En de liederen die ze zingen en de dans die ze uitvoeren, is daarmee in overeenstemming, qua cadans, ritme en melodie. Zo wordt hun geest gevormd. En niet alleen die van hen maar ook van de ouderen, die anders het levendige ethische bewustzijn gaan verliezen.
   De cultus versterkt dus het gevoel voor maat en orde en brengt in aanraking met de godheid, die garant staat voor de orde. En dat op een vreugdevolle, natuurlijke manier.

Phaedrus
Wat Phaedrus zegt
Wat Plato bedoelt, wordt nog duidelijker in de Phaedrus. Daarin vertelt hij over de ontmoeting van Socrates en Phaedrus. Phaedrus heeft een redevoering bij zich van Lysias, een bekende redenaar, die gaat over liefde, eroos. Zij maken een wandeling tot buiten de stad en komen bij een waterstroompje, waar een prieel is en zetten zich er neer. Socrates weet Phaedrus ertoe over te halen de voordracht voor te lezen – iets wat hij, hoewel hij het niet toegeeft, maar al te graag doet. De teneur van het betoog is dat je op moet passen met liefde. Ga vooral geen band aan met degene die verliefd op je is en zie zelf niet verliefd te worden. Ga slechts verhoudingen aan met hen die niet van je houden. Dan raak je niet gebonden aan de ander. Een mens kent twee polen: zijn rede, die het beste voor hem zoekt en zijn gevoelens van genegenheid. Die laatste kunnen zo sterk worden dat de rede beneveld wordt en je achter je begeerten aanloopt. Maar kom je eenmaal bij zinnen, dan zit je vast aan die ander, doordat je beloften hebt gedaan, waar ze je aan willen houden. Wees op je hoede en laat je leiden door je verstand, die het beste, het voordeel voor je zoekt. Bedrijf liefde, maar zoek degene die niet verliefd op je is. Dan ben je schrander.
   Phaedrus tekent twee manieren van leven. Het ene leven is dat van koele berekening, het andere van zinnelijkheid, waarbij hij de voorkeur geeft aan het eerste. Om de ongemakken te ontlopen die de liefde teweeg brengt, raadt hij verhoudingen die ingegeven worden door liefde, af.

Socrates’ beurt
   Socrates heeft toegeluisterd. Hij heeft ook geluisterd naar de compositie van de redevoering en stelt enkele verbeteringen voor. Hij geeft zelf een variant op de lezing. Hij doet dat terwijl hij enigszins onder de indruk is van de overtuigingskracht van Phaedrus’ betoog. Maar dat duurt niet lang. Kort voordat hij zijn voordracht beëindigd heeft, onderbreekt hij zichzelf. Zijn daimonion, een bovennatuurlijke stem, die in zijn innerlijk spreekt, heeft hem gewaarschuwd: waar ben je mee bezig? Hij realiseert zich dat hij eroos zwaar te kort heeft gedaan en niet geëerd heeft als een god. Hij erkent dat en betuigt zijn spijt. Daarop spreekt hij een tweede redevoering uit, nu ter ere van eroos. Deze is totaal anders dan de eerste. Socrates zegt: liefdesverlangen (eroos) is een gave van de goden. Hij heeft te maken met je ziel. Je ziel heeft ooit iets van wereld van de goden gezien: de schoonheid, de rechtvaardigheid en de matigheid. Een vage herinnering daaraan leeft nog in je ziel. Wanneer je nu iemand ziet die schoon is, word je aan het schone zelf herinnerd. Je ziel wordt erdoor aangegrepen en het lijkt alsof je erdoor bevleugeld wordt, d.w.z. in staat gesteld om hoog te vliegen, om de schoonheid zelf weer te gaan aanschouwen. Het schone, waarvan degene die je hier zag en je daaraan herinnerde, een heenwijzing is.

Het beeld van de wagenmenner
Daar gaat Socrates verder op in. Wat doet het eigenlijk met je, als je iemand ziet, die schoon is, als je verliefd wordt op een dergelijk iemand, terwijl je herinnerd wordt aan het zien van de schoonheid? Socrates beschrijft dat heel beeldend: het is als met een wagenmenner, die twee paarden bestuurt. De wagenmenner ziet de schone. Dit heeft direct gevolgen. De paarden willen daarheen. De wagenmenner leidt hen daarheen. Maar het ene paard is edel en gezeggelijk. Het wil luisteren naar de wagenmenner. Het andere is lelijk en onhandelbaar. Het wil niet luisteren. Het wordt geleid door begeerte en wil op de schone afstormen. Het pleit ervoor om naar de schone te gaan kijken. De wagenmenner geeft toe. Maar bij het zien van de schone, begint het dier buitengewoon te trekken. Dan gebeurt er iets: de wagenrijder ziet de schone en ziet de afglans van zijn schoonheid. Dit heeft een geweldig effect. Hij wordt vervuld van schroom en vrees, van schaamte en trekt hard aan de leidsels. Het ene dier gehoorzaamt gelijk, het andere wil niet luisteren, maar de wagenrijder trekt zo hard dat hij wel moet. Waarom trekt de rijder zo hard aan de leidsels? Omdat het zien van de schone hem herinnert aan de schoonheid zelf, die hij ooit gezien heeft. De aanblik van de schone zelf bewerkt dat hij schaamtevol en eerbiedig wordt, want hij ziet haar, aldus Socrates, als een beeld dat op een verhoging van heiligheid staat. En naast de schoonheid staat daar de gematigdheid. De vrees, de schaamte, de eerbied is zo krachtig dat de wagenmenner daarvandaan de kracht krijgt om het verkeerde dier in zijn onstuimigheid een halt toe te roepen.
   Even daarvoor zegt Socrates wat dit zien verder met iemand doet. De schoonheid van de ander is er omdat hij een natuur heeft die de wijsheid lief heeft. Ik wil een bijbeltekst aanhalen die helemaal past bij wat Plato schrijft: ‘De wijsheid die van boven is, is ten eerste zuiver, daarna vreedzaam, bescheiden, gezeggelijk, vol van barmhartigheid en goede vruchten, niet partijdig oordelend en ongeveinsd’ (Jacobus 3: 17,18). Ten diepste is het dat wat de wagenmenner zo aantrekt. Het zien van deze schoonheid doet een appèl op hem, het raakt hem, het beroert hem. Zijn eigen hart gaat open en hij begint te merken dat hij zichzelf, zijn hart gaat kennen in het licht van deze waarheid. Hij stelt zich namelijk de vraag: waarom doet dit me zo veel? Zo brengt de ander hem ertoe de wijsheid die van boven is te gaan zoeken, ook voor zichzelf. Want hij merkt dat hij daarin pas zijn eigenlijke element vindt.

Twee belangrijke zinnen
Welnu, terwijl hij bij zichzelf, in die betrokkenheid op die schoonheid die bij de ander oplicht, naspeurt hoe het kàn dat dit hem zoveel doet, krijgt hij de godheid zelf in het oog. Dan wordt hij echt aangeraakt door de herinnering aan de godheid en raakt daarvan vervuld (Plato gebruikt hier het woord enthousiasmos – van God vervuld). En dit heeft tot slot tot gevolg dat hij als vanzelf ‘de instelling (de ethos) en de gewoonten van de godheid overneemt, voor zover een mens aan de godheid vermag deel te nemen’, dus voor zover dit voor een mens mogelijk is.

Deze laatste zin is belangrijk. Het doet denken aan een passage uit de Wetten. Daarin gaat het over het volgen van de goden, om het schone te zien. Plato stelt tegenover elkaar de overmoedige drieste mens, die zichzelf tot een wet is en de ootmoedige die zich laat leiden door de godheid. Wie dat doet is aan de goden lief, want ‘het gelijke is aan het gelijkende bevriend, áls het maat houdt.’ In die ene zin ligt heel Plato’s wijsheid uitgedrukt. Wat hij daar zegt komt helemaal overeen met de zin die ik citeerde uit de Phaedrus: wie door de godheid wordt aangeraakt neemt als vanzelf de instelling (de ethos) en de gewoonten van de godheid over, voor zover een mens aan de godheid vermag deel te nemen.’
   De mens is lief aan de goden, als hij op hen lijkt, als hij maat houdt, d.w.z. als hij doordrongen is van eerbied en schroom, omdat hij de afstand beseft die er is tussen de goden en zichzelf. Die schroom wordt door de goden afgedwongen – de glans van God geeft vrees en eerbied. Het is zoals Rudolph Otto het typeerde: de mens komt in aanraking met het mysterium tremendum ac fascinosum: het mysterie waar hij voor beeft en waartoe hij zich aantrokken voelt.

In deze sfeer, vanuit dit huiveren in blijdschap neem je – voor zover dat voor een mens mogelijk is – de ethos (de instelling) en de gewoonten van de goden over. Je gaat enigszins op hen lijken, je wordt enigszins aan hen verwant. De weg erheen is eerbied, het ervaren van de vreugde van het schone en het ervaren van de grens. Het ene met het andere!
Eigenlijk brengt Plato met de zin ‘het gelijke is aan het gelijkende bevriend als het maat houdt’ twee dingen onder woorden:
  1. De mens lijkt op de godheid. De bijbel zegt: hij is geschapen naar Gods beeld.
  2. Hij moet maat houden – de vreze des Heren is het begin van alle wijsheid.

Twee levenswijzen
Plato stelt dus in de Wetten en in de Phaedrus twee levenswijzen tegenover elkaar: aan de ene kant de levenswijze van overmoed, wellust, waarbij het verstand ofwel verzwolgen wordt door begeerte ofwel berekenend en sluw op eigen voordeel uit is. Aan de andere kant de levenswijze van voorzichtigheid, eerbied en ontzag voor God, in de sfeer waarvan een denken geboren wordt, dat zich verwondert over en zich laat leiden door de herinnering aan de goddelijke werkelijkheid. Daarmee is de diepste laag van het mens-zijn, het hart in aanraking gekomen. De mens verootmoedigt zich in berouw, zoals Socrates na zijn eerste redevoering en stelt zich dichterlijk op als een dienstmaagd van de godheid. Het verstand dient het inzicht dat God in het oog heeft gekregen.
   In het eerste geval wordt het verstand dus geleid door vermeend eigenbelang. In het andere geval door de herinnering aan de schoonheid – aan de godheid.

We raken hier precies aan het dilemma waarmee Luther te maken had, toen hij zei dat hij bang was dat men de natuurlijke rede teveel eer ging geven. Alsof de rede verzelfstandigd kan worden! Luther gebruikt zelfs min of meer hetzelfde beeld: een mens is als een paard: of hij wordt bereden door het geloof, door God zelf in de goede richting. Of hij wordt bereden door eigenbelang – door de boze. Pas de ontmoeting met God doet het dier de goede kant op rijden. Uit dit alles blijkt dat het verstand hoe dan ook niet autonoom is en de wil evenmin. Men verbeeldt het zich maar als men dat denkt, want de werkelijkheid is anders. Ofwel je leeft voor jezelf, ofwel je wordt aangeraakt door de godheid en je volgt en dient. De vreze des Heren is het begin van alle wijsheid. Door de vreze des Heren is het mogelijk dat je voor zover mogelijk de instelling en de gewoonten van de goden, zei Plato, overneemt. Wij zeggen het anders: de wijsheid die van boven komt is ten eerste zuiver, daarna vreedzaam, bescheiden, gezeggelijk, vol van barmhartigheid en van goede vruchten, niet partijdig oordelend, en ongeveinsd. Een betere duiding van Hanna ken ik niet. Dit is wat dr. W. Aalders noemde ‘mariaal bewustzijn’. En dit mariaal bewustzijn wordt in de cultus waar wij met de hemel in aanraking komen, geboren.

Tot slot
Waarom is dit van betekenis? Juist ook voor de oecumene. Ik denk aan een geschrift van dr. W. Aalders. Hij schreef een bijzonder boek: ‘De kerk, het hart van de wereldgeschiedenis’. Daarin schetst hij de kerkgeschiedenis en de wissels waarlangs de kerk in de geschiedenis moest gaan. In de geest van Toynbee zegt Aalders dat er op de weg die de kerk gaat sprake is van uitdaging en antwoord. Steeds zijn er nieuwe vragen, die om een antwoord vragen.
   In de vroege kerk: de vraag naar de godheid van Christus en de drie-enige God. In de tijd van de Reformatie de kwestie van de vrije wil. Nu in de moderne tijd: de geest van de revolutie, die zich in Europa begint af te tekenen bij Machiavelli, aldus Aalders. Deze geest heeft catastrofes teweeg gebracht – heeft de vraag acuut gemaakt naar de zin en de uitkomst van de geschiedenis. Deze geest heeft revoluties teweeg gebracht en brengt ze nog teweeg. Aalders betoogt dat de kerk niet bij machte is geweest een antwoord te geven op de uitdaging van de revolutie, op de vraag naar de geschiedenis met zijn verschrikkingen van het communisme, de holocaust etc.
   Noch het protestantisme, noch de pausen in de 19e en begin 20e eeuw waren er toe bij machte. Hooguit waren het enkelingen die de weg wezen: Hamann, Kierkegaard, Groen van Prinsterer, Newman, Guardini.
Waar zal de kerk het antwoord vinden? Aalders verwijst naar de eredienst zoals die naar voren komt in Openbaring aan Johannes.
   De apostel Johannes ziet, als hij verbannen is, Christus in zijn heerlijkheid, in het hemelse heiligdom. In het licht van de hemelse eredienst, ziet Johannes als een tweede Jesaja iets van Gods wereldregering, waardoor hij aan de zorgen en het verdriet om de geschiedenis ontheven wordt. Daardoor raakt zijn ziel niet afgestompt cynisme, moedeloosheid en nihilisme.
   Dat gevaar is groot. Laat me vertellen wat ik bedoel, door iets persoonlijks te zeggen. Ik was ongeveer 20 jaar en was aan de rand van vertwijfeling en opgezogen door zwaarmoedigheid vanwege het leed en het kwaad in de wereld en in mezelf. Bij toeval hoorde ik op een cassetebandje een preek van dr. Aalders. Hij sprak over dingen waarover ik in een preek nooit hoorde spreken. Het was de tijd van het oorlogsleed in Cambodja en Viëtnam. Nog hoor ik hoe hij klagend en met veel nadruk zei: ‘En Cambódja en Viëtnám!’ Dat was in het gebed. Het klonk indrukwekkend en vol meedogen. Op een of andere manier maakte het diepe indruk op me. Het was als zalf op een wond. Even was er een gevoel van verlichting. Jaren later, toen ik een eind uit de crisis van mijn leven was gekomen en ik hem had leren kennen en wij een buitengewone vriendschap hadden, vertelde ik hem dit. Wat hij toen kort zei, vergeet zeker niet meer: ‘Ja, ik begrijp het. Dan wordt het leed in het heiligdom gebracht.’ Dat was precies wat hij in de dienst die ik beluisterde deed.
   Dat is ook wat hij in zijn boek over de kerk zegt. Ik citeer: ‘Er moet toch ergens een heiligdom zijn waar de mens zijn klacht kan neerleggen.’ In Openbaring 5 gaat het uitgerekend daarover: de gebeden van de heiligen, die klagen ‘tot hoelang?’ In Openbaringen 5 wordt beschreven hoe niemand in staat is de geschiedenis tot een einde te voeren, Gods plan met de wereld te ontcijferen en tot uitvoer te brengen. De wereld stokt, de geschiedenis lijkt ten einde. Er is geen way out, geen uitkomst. Maar dan komt het Lam. Hij neemt de rol en opent die. Hij is ertoe gerechtigd. Hij is gestorven en opgestaan, is zuiver gebleven – een lam dat geslacht is. Als hij de boekrol genomen heeft, komen de engelen met de gebeden van de mensen. En de heiligen zingen: u bent waard dit te doen, alles uit een impasse te halen en tot heerlijkheid te brengen, ook ons. Hij is zuiver gebleven en heeft alle macht ontvangen in de hemel en de aarde. Bij het zien daarvan wordt onze blikveld verwijd. We krijgen een nieuw denken dat zich niet wil verzelfstandigen, maar dat met dankbaarheid instemt met wat God ons openbaart en waardoor ons hart zuiver blijft en ons rechtsbewustzijn in takt.
   Dit gebeurde bij Hanna, bij Jesaja, bij Luther. Zij kregen iets visionairs. Zij zagen iets van Gods leiding. Dat kan opnieuw. In een apocalyptische tijd kunnen wij alleen moed houden en volharden in het licht van Christus. Dat geldt ook voor staatslieden. En dat markeert tegelijk de taak van de kerk, de Rooms-katholieke Kerk, de Oosters orthodoxe kerk en het Protestantisme.

Ooit schreef Florenskij een prachtig boek: ‘De filosofie van de cultus’. De teneur van het boek is: de cultus maakt ons wijs. Daarvan heb ik in deze lezing iets van willen doorgeven.

H. Klink
Friezenkerk Rome
c/c Chiesa dei SS.Michele e Magno
Borgo Santo Spirito 21/41
00193 Roma - Italia
Tel. +39 336 766 135
Fax +39 178 226 3757

Financiële bereikbaarheid
Bic BPCVIT2S
IBAN IT37G0521603225000000000993
(9 nullen achter elkaar!)
t.n.v. Stichting Willibrordcentrum
Bank: Credito Valtellinese (Artigiano)
favicon