Voordracht Pierre-Paul Walraet OSC - 23 september 2017

DE KRUISHEREN IN INDONESIË EN HUN VREDEVOLLE VERBONDENHEID MET MOSLIMS

1. DE KRACHT VAN VERBEELDING 1

“De Kracht van Verbeelding” is het thema voor de Nederlandse Vredesweek in dit jaar 2017, van 16 tot en met 24 september. Ik wil allereerst en in het kort stilstaan bij dit thema van de Vredesweek. Een thema met twee kernwoorden: kracht en verbeelding. Hoe dit verstaan in de context van de vredesweek? Het woord “kracht” doet mij spontaan denken aan “gave”. Het woord “verbeelding” breng ik in verband met “creativiteit”. Creativiteit heeft met ‘scheppen’ en ‘schepping’ te maken: creëren en creatie. De twee woorden kracht en verbeelding hebben volgens mij ook iets van doen met spiritualiteit. Spiritualiteit houdt verband met “kracht” en “creativiteit”. Kracht ontvang je. Het is een gave. Dat zie ik als de goddelijke dimensie van spiritualiteit. God is actief. Creatief ben je als je iets doet met en vanuit de kracht die je ontvangt. Dat is de menselijke dimensie van spiritualiteit. De mens is actief. Creatieve toewijding is de wijze waarop de gelovige mens zich tot God verhoudt. Een spiritueel of geestelijk leven is een leven van creatieve toewijding vanuit de ontvangen goddelijke gave(n).

In christelijke context is kracht een gave van de heilige Geest, een gave van God. Denk aan de woorden van Jezus aan zijn leerlingen: “Gij zult kracht ontvangen van de heilige Geest, die over u komt ...”. Een ander goed woord voor kracht lijkt mij het woord ‘bezieling’. ‘Verbeelding’ of ‘creativiteit’ zijn de vrucht van bezieling. Een bezield persoon beschikt over verbeeldingskracht en is creatief. “De Kracht van Verbeelding” kunnen we beschouwen als een kleine definitie voor spiritualiteit. De term spiritualiteit is uiteraard wat men noemt een ‘container-begrip’. Er zijn vele spiritualiteiten. Elke christelijke spiritualiteit belicht een aspect van het evangelie. In de context van de vredesweek spreken we over vredesspiritualiteit. Ik zou vredesspiritualiteit dan als volgt willen omschrijven, me evenwel bewust dat elke omschrijving of definitie voor verfijning en verscherping vatbaar is: met de ontvangen bezieling zetten we ons in om op creatieve wijze vrede te bewerkstelligen. Vrede is volgens de apostel Paulus (Brief aan de Galaten) een van de vruchten van de heilige Geest; namelijk van de heilige Geest die wij hebben ontvangen. Vrede is een vrucht die groeit aan de Geest. Vruchten die groeien aan de Geest zijn: de liefde, de vreugde, de vrede, het geduld, de goedertierenheid, het geloof. Deze vruchten van de Geest horen mijns inziens samen. Vrede is dan een vrucht die ontspringt aan de kracht die men van de heilige Geest heeft ontvangen.

In wat volgt staan we stil bij het leven en het werk van de Reguliere Kanunniken van de Orde van het Heilig Kruis. Na deze Orde wat te hebben gesitueerd in de geschiedenis, en in de wereld, richten we onze aandacht vooral op de aanwezigheid in Indonesië. Aan het einde van deze presentatie worden enkele gedachten bij elkaar gebracht over islam en vrede. Ook kijken we naar de figuur van Franciscus van Assisi en zijn verhouding tot de wereld van de islam in het kader van de kruistochten tijdens de middeleeuwen.

1 Tekst voorbereid voor de Vredesmaaltijd gehouden in de Friezenkerk in Rome, op zaterdag 23 september 2017.
Pierre-Paul Walraet o.s.c.

2. KRUISHEREN

Ik ben lid van de Reguliere Kanunniken van de Orde van het Heilig Kruis. Wij worden ook ‘Kruisheren’ genoemd. In een ver verleden en tot ergens in de zeventiende eeuw, droegen wij de naam fratres sanctae crucis of te wel broeders van het heilig kruis. Die laatste benaming sluit mijns inziens veel meer aan bij onze identiteit. Wij volgen de kloosterregel van Augustinus, de bisschop van het Noord-Afrikaanse Hippo.
Kruisheren zijn broeders die geroepen worden om met elkaar in een gemeenschap samen te leven, samen te vieren, en samen te dienen. Het gaat in onze vorm van godgewijd leven dus om drie zaken: communio, cultus en caritas. De kloosterregel van de kerkvader Augustinus van Hippo (einde vierde eeuw, begin vijfde eeuw - 354 - 430) inspireert ons ook vandaag nog om ‘één van ziel en één van hart op weg te gaan naar God’ (Regel I,2). Eenheid en harmonie vloeien voort uit een concreet geleefd antwoord op het dubbele gebod van de liefde, en vormen de basiswaarden van ons charisma. Ik wil hier het volgende aan toevoegen. In vrede samenleven met elkaar, met mensen die op meerdere vlakken vaak erg verschillend zijn van elkaar, is de impliciete doelstelling waarvoor we feitelijk samenwonen en samenleven.

Wij vormen een leefgemeenschap en die bouwen we samen op, gedragen en gesteund door de broederlijke liefde voor elkaar. Dat is ons eerste, en onmiddellijke, en door de Constituties bepaalde apostolaat is. Die normering geldt voor de gehele Orde. Daarover is geen discussie, daar zijn we het over eens, daar gaan we voor. Dat gegeven in vraag stellen, zou de zin en de betekenis van de Orde in vraag stellen. Alle andere vormen van apostolaat vloeien voort uit het kernapostolaat van ons samenleven in gemeenschap. En die vormgeving kan héél verschillend zijn naargelang de noden van de lokale kerk, van de omringende samenleving, en ook naargelang de middelen waarover de Kruisherengemeenschappen beschikken (middelen op vlak van personeel, financiën en ook tijd). Onze Constituties geven nog een ander criterium:

[Wij, Kruisheren] zullen ook bijzondere aandacht moeten schenken aan de tekenen van de
tijd, zodat we niet blijven stilstaan bij vormen van apostolaat die in een andere tijd en
andere omstandigheden hun nut bewezen, maar niet meer geschikt zijn voor de hedendaagse situatie. (Constituties 22.1)

De broederlijke leefgemeenschap is de belichaming van het charisma van onze Orde. Daar klopt het hart van de Orde. Gemeenschapsvorming zal ook de keuze en de inhoud van die andere apostolaatsvormen mede bepalen. En het pastorale werk dat we doen wil ook ons samenleven als broeders in gemeenschap beïnvloeden en inspireren.

Kruisheren zijn dus een religieuze orde. We zijn geen missionair instituut in de strike zin van het woord. We zijn ook geen apostolische congregatie. We zijn een religieuze orde. We werden bij het begin van de dertiende eeuw niet gesticht om antwoord te geven op bepaalde caritatieve noden in de kerk of in de samenleving. De doelstelling van onze Orde is samen in gemeenschap op weg gaan naar God, en in die gemeenschap velen mee te nemen op die weg.

3. DE KRUISHEREN IN DE WERELD

Onze orde is eeuwenlang op Europese bodem gebleven. Met veel ups en downs ook. De Franse Revolutie is er niet in geslaagd om het leven van de Orde te doden. Maar de berokkende schade was enorm. Alle kloosters waren zo goed als verdwenen. Twee plekken en vier medebroeders bleven behouden: Uden en Sint Agatha het huidige Nederlandse Noord-Brabant. Eigenlijk kende de Orde in 1840 een soort van nieuwe of tweede stichting. De Kerk accentueerde in die tijden haar missionair karakter. Dit heeft de keuzes die ook onze Orde aan het begin van de twintigste eeuw heeft gemaakt, sterk beïnvloed. Er deed zich een paradigma verandering voor: de oude religieuze orde kreeg het karakter van een apostolische congregatie met een missionair accent. Men begon aan overzeese stichtingen. Naar Noord-Amerika (Wisconsin, Minnesota), naar Belgisch Congo of het huidige République Démocratique du Congo (1920), naar Nederlands Oost-Indië, het huidige Indonesië (1927 – de Hollandse Missie) en naar Brazilië (1937), aanvankelijk in het Amazonegebied in het noorden (het huidige Belém do Parà; later ook in het zuiden). Deze stichtingen vonden plaats binnen een tijdskader van ongeveer 30 jaar. Kruisheren werden missionarissen, vooral onder invloed van Rome. Rome deed een beroep op de Orde om zich in overzeese gebieden te gaan vestigen, als missionarissen.

4. DE KRUISHEREN IN INDONESIË

De Orde van het Heilig Kruis telt vandaag ongeveer 350 leden. De jongeren in vorming zijn in dit aantal meegeteld. We zijn nooit een grote Orde geworden, maar een bescheiden Orde gebleven; in aantal, bedoel ik Iets minder dan de helft van de leden van de gehele Orde maakt vandaag deel uit van de huidige Indonesische provincie Sang Kristus.Het gaat hier om een provincie van om en bij 160 kruisheren. Tussen 1927 (in 2017, 90 jaar geleden) en 1977 waren de kruisheren in Indonesië onderdeel van de Nederlandse kruisherenprovincie, zij het met een zeker niveau van autonomie in bestuur en beheer. In 1977 (in 2017, 40 jaar geleden) werden de Kruisheren in Indonesië als een zelfstandige provincie opgericht. Van afhankelijkheid naar zelfstandigheid.

Tussen 1927 en 1977 trokken zo’n honderd Kruisheren van Nederland naar Indonesië. Een aantal keerde terug. Er waren er ook die uittraden. Op dit ogenblik zijn er nog een vijftal uit Nederland afkomstige medebroeders werkzaam (of wonend) in Indonesië. Het merendeel van de Kruisheren in Indonesië woont en werk in West Java, met een sterke concentratie in het bisdom Bandung. In juni 2014 heeft Paus Franciscus een medebroeder van ons tot bisschop van Bandung benoemd: Mgr. Antonius Subianto Bunjamin O.S.C. En de huidige magister generaal van de kruisheren is een confrater uit Indonesië, namelijk Mgr. Laurentius Tarpin O.S.C (sinds juni
2015).

Er is iets dat opvalt: in het Land van het Kruis, het grote katholieke Brazilië, is de Orde nooit van de grond gekomen, al hebben de Nederlandse medebroeders er ontzettend hard gewerkt. Er zijn momenteel echter slechts vier Braziliaanse eeuwig geprofeste en tot priester gewijde kruisheren. In het grootste moslimland ter wereld, Indonesië, bloeit de Orde volop. Dààr hebben de kruisheren korte metten gemaakt met de leuze “we zijn klein en we blijven klein”, zei kruisheer Yan Sunyata O.S.C. (+ september 2002).

Kruisheren zijn talrijk aanwezig in de stad Bandung. Bandung is een van de vooraanstaande steden van Indonesië. In die stad hebben de kruisheren een duidelijk gezicht. Ze leven er niet als losse individuen maar als mannen die in gemeenschap leven. Ook de religieuze en academische vorming van de jonge kruisheren situeert zich in deze stad. Er zijn twee grote vormingshuizen: noviciaat en scholasticaat. Een belangrijk pastoraal project van de kruisheren in Bandung draagt de naam Pratista. Pratista is een groot en drukbezocht bezinningscentrum met een stevig kruisherenteam. Het werd opgericht rond het jaar 1985, door de toenmalige charismatische hogere overste. Deze prior provinciaal was een leider met een concrete visie. Het centrum is een pastoraal project van de provincie en van de plaatselijke kruisherenpriorij. Het bevindt zich in de koelere heuvels rond het ontzettend drukke en dichtbevolkte Bandung. Het stadsdeel heet van Cisarua, in de richting van Lembang. Een katholiek bezinningscentrum in een omgeving, die sterk bepaald wordt door de Islam. Rond het retraitecentrum bevinden zich verschillende kleinere moskeeën. Elk van die moskeeën roept de lokale moslimgelovigen vijfmaal daags op tot gebed. Dat begint reeds in de heel vroege ochtenduren. En tijdens de Ramadan al om twee uur ’s nachts. De kruisherenpriorij verzorgt dagelijks getrouw haar getijdengebed en viert de eucharistie. Dit gebeurt op vastgestelde uren en tijden. De regel van Augustinus bepaalt dit zo. De avondvespers valt samen met het uur waarop ook de moslims hun gebeden tot God verrichten. Om een goede verstandhouding te handhaven, om wederzijds respect te garanderen, om verbondenheid te verzekeren, zorgt de prior van het kruisherenklooster ervoor dat hij regelmatig vriendelijke contacten onderhoudt met de moslimgemeenschap en haar verantwoordelijken in de omgeving. Zulke kostbare contacten zijn in feite een eenvoudige maar belangrijke vorm van dialoog. Ze zijn een weg om ook de verschillen te kennen, die verschillen te begrijpen en te leren waarderen. Deze vorm van dialoog is dus een leerschool. Die dialoog, die actieve interpersoonlijke ontmoeting met –hier- belijders van de islamgodsdienst, kan ons ook de ogen en het hart openen voor onze eigen capaciteit om wie van ons verschilt toch in vriendschap te benaderen en er liefdevol en vredevol mee om te gaan. Een kwestie dus ook van elkaar actief te ontmoeten. Het is de dialoog van de respectvolle en broederlijke aanwezigheid van christenen en moslims in eenzelfde samenleving. Verschillende personeelsleden die in onze Indonesische kruisherengemeenschappen werkzaam zijn, zijn moslims. Dit mag van de zijde van de Kruisheren worden beschouwd als een vorm van solidariteit en gastvrijheid tegenover de moslims. Sommige medebroeders hebben naaste familieleden die tot de Islam behoren en die godsdienst belijden en beleven. Dit maakt dat deze medebroeders op een bijzondere wijze vertrouwd zijn met de moslimtradities.

Een van de waarden van het gemeenschapsleven bij de kruisheren is de oprechte, wederzijdse en broederlijke belangstelling voor elkaar. Dit gaat veel verder dan elkaar tolereren. Want tolereren lijkt veeleer een uitdrukking van onverschilligheid te zijn. En onverschilligheid is passief. Dialoog en ontmoeting zijn actief. De waarde van oprechte, wederzijdse en broederlijke belangstelling vindt voor de kruisheren een spirituele onderbouwing in de kloosterregel van Augustinus. Het eerste hoofdstuk van die Regel voor de Gemeenschap eindigt met de volgende aansporing:

Leef dus allemaal eensgezind en in harmonie, en eer God in elkaar: van Hem bent u tempels geworden. (Regel I,8)

Let op de uitdrukking ‘God eren in elkaar omdat ieder Gods tempel is geworden’. Dat geldt niet alleen voor de medebroeders onderling. Kruisheren zullen God eren in elke mens die zij ontmoeten, zonder uitzondering! Verder nadenkend over de Augustijnse inspiratiebron voor ons leven, staat in onze Constituties het volgende te lezen:

Onderlinge eenheid vormt een onontkoombare eis voor hen die op weg zijn naar God. In
liefde voor elkaar ontmoeten wij de Heer. Menselijke eenheid in liefde reikt boven zichzelf
uit en mondt uit in de uiteindelijke Eenheid, de volmaakte Vrede en de allesomvattende
Liefde. Of, in de woorden van onze Vader Augustinus: “Wij worden één in de ene Christus
op weg naar de ene Vader” [Commentaar bij psalm 147,28]. (Const. 3.1)

Het zijn de waarden van respect en belangstelling die wij ook willen inzetten in het pastoraat van de lokale gemeenschappen. Ook in liefde en vriendschap voor en met de mensen buiten onze gemeenschap ontmoeten wij de Heer. Ook zij zijn woning van God. En vooral in Indonesië zal die waarde ook spelen in de omgang met de gelovigen binnen de islam.

Wanneer een moslim zich - áls moslim – geaccepteerd en gerespecteerd voelt, zal hij daar
een houding van respect en verregaande trouw tegenover zetten. (Victor Assouad SJ)

Broederlijke belangstelling en onderling respect binnen een kruisherengemeenschap uiten zich ook heel praktisch. Onze Constituties geven in dat verband het volgende aan:

Om arbeid en bezinning te bevorderen is het passend dat een sfeer van vrede en rust heerst in het huis waar wij wonen. Het is een uiting van christelijke liefde dat de leden van een communauteit ook in dit opzicht rekening houden met elkaar. (Const.19.8)

Ook die raad die de Constituties meegeven, kunnen de kruisheren toepassen in het samenleven en samenwerken met andere mensen buiten het klooster.

Indonesië situeert zich in het continent van de grote wereldgodsdiensten (Azië). Het gecombineerde thema vrede, communio, en islam vormt een uitdaging voor de Orde, en in het bijzonder voor de kruisheren in Indonesië. Het laatste generaal kapittel van onze Orde in 2015 heeft alle lokale gemeenschappen in de wereldwijde Orde opgeroepen zich moedig te engageren op het vlak van interreligieuze dialoog en samenwerking. Dit als een weg om als kruisheren als een evangelische gemeenschap een open venster te zijn voor de onmiddellijke samenleving rondom. Kruisheren kijken naar buiten, en ieder mag bij de kruisheren naar binnen kijken. Het is aan de lokale gemeenschappen toevertrouwd om actief wegen te zoeken om die oproep van het generaal kapittel concreet in praktijk te brengen en het onder te brengen in het eigen lokale pastorale plan van die respectievelijke gemeenschap. De ruimere achtergrond bij dit alles is dat de dialoog tussen de godsdiensten deel uitmaakt van de evangeliserende missie van de Kerk. Het document Vita Consecrata, verschenen als uitkomst van de bisschoppensynode van 1994 over het Godgewijde Leven, onder het kerkelijk leiderschap van de nu Heilige Johannes Paulus II, leert ons:

De eerste vorm van evangelisatie met betrekking tot onze broeders en zusters van een
andere godsdienst dient het eenvoudige getuigenis te zijn van een arm, nederig en zuiver
leven, vol broederlijke liefde voor allen. ...

Hetzelfde document reikt nog andere concrete handreikingen aan die als inspiratie kunnen dienen voor onze Orde, en in het bijzonder voor onze Indonesische confraters die zo dicht bij en met de Moslims leven. Het gaat hier om interreligieuze samenwerking – de dialoog van het samen doen en van elkaar actief te ontmoeten - waarvoor ook ons generaal kapittel directieven heeft gegeven Vita Consecrata zegt:

Een ander terrein waarop mannen en vrouwen van andere godsdienstige tradities met
elkaar kunnen samenwerken is de gemeenschappelijke zorg voor het menselijk leven, een
zorg die zich uitstrekt van mededogen met lichamelijk en geestelijk lijden tot zich inzetten
voor gerechtigheid, vrede en behoud van de schepping.

Het kerkelijk document verwijst hier uitdrukkelijk naar het initiatief dat in de vroege jaren tachtig (1983) door de Wereldraad van Kerken in het leven werd geroepen, namelijk ‘Het Conciliair Proces’ bedoeld om alle gelovigen die bij een van de lid-kerken zijn aangesloten wereldwijd met hetzelfde thema – met dezelfde doelstellingen - bezig te laten zijn: gerechtigheid, vrede en heelheid van de schepping.

Het kapittelbesluit onderbouwd door de impulsen van het document Vita Consecrata vormen een sterk punt voor de medebroeders in Indonesië. De doorsnee en veeleer traditionele pastorale dienstverlening van de Kruisheren in Indonesië is sterk geconcentreerd op parochiale zielzorg. Vele kruisheren zijn parochiepriesters.
Daarop heeft altijd het accent gelegen. De kruisherenprovincie is opgedeeld in een 15-tal doorgaans kleine gemeenschappen, bij een parochie. Soms wonen en werken er drie kruisheren in die gemeenschappen. Er zijn de laatste jaren vier priorijen opgericht. In priorijen moet het aantal samenwonende geprofeste medebroeders minstens zes zijn.

Ik sprak over een sterke concentratie in Bandung. Andere entiteiten liggen verspreid over het hele land zoals op het eiland Nias, in de steden Medan, Jakarta, Cigugur, Cirebon, en ook in het bisdom Agats in Papua Indonesia. Agats was aanvankelijk een stichting van de Amerikaanse provincie van de kruisheren. Enkele jaren geleden werd die missie overgedragen aan de Indonesische provincie. Ik vermeldde de kleine gemeenschappen gefocust op traditioneel parochiewerk in al zijn dimensies: gemeenschapsopbouw, bediening van de sacramenten, de verkondiging en de catechese, sociaal-caritatieve werkzaamheden, inzet voor sociale vooruitgang en ontwikkeling, inspelend op de plaatselijke noden. Dit impliceert ook dat actieve interreligieuze dialoog met moslims eerder een marginale positie inneemt. Het gebeurt veeleer occasioneel, namelijk als een gelegenheid zich aandient. Contacten met religieuze leiders, spontane ontmoetingen met moslimgelovigen, soms werkzaam zijn als lid van diocesane commissie voor interreligieuze dialoog ... Binnen het kader van het apostolaat van de lokale kruisherengemeenschappen blijkt een georganiseerde aandacht voor interreligieuze dialoog met Moslims niet echt een kwestie van hoge prioriteit te zijn. We zien ook geen kruisheren of kruisherengemeenschappen opstaan die op een vernieuwende manier de interreligieuze dialoog tot een prioritaire pastorale activiteit maken. Dat neemt niet weg dat steeds spontaan aandacht blijft uitgaan naar de “dialoog van het samenleven met elkaar” als iets dat als waardevol wordt beschouwd: de concrete interpersoonlijke contacten van mens tot mens.2

Ik vermeldde eerder ons bezinningshuis ‘Pratista’ in Bandung. De kruisheren zouden heel graag een tweede bezinningscentrum opstarten in de buurt van de Indonesische hoofdstad Jakarta. Maar dat is geen gemakkelijke zaak. De regering is ontzettend traag met het verlenen van vergunningen voor het bouwen van kerken, en –zoals in ons geval- een bezinningshuis. Ik liet me vertellen dat zulk een vergunning het fiat nodig heeft van drie ministers. Ook dient de aanvrager een document te kunnen voorleggen van 90 mensen die in de omgeving wonen waar het christelijk gekleurde bouwproject gerealiseerd zou moeten worden. Toch is het de hoop van de Orde dat ook dit tweede centrum eens gerealiseerd zal kunnen worden. Op die manier kunnen de Kruisheren antwoorden geven op de nood aan bezinning en verinnerlijking, herbronning en vernieuwing.

5. ISLAM EN VREDE 3

De islam wil eigenlijk een godsdienst van vrede zijn. Alle soera’s van de Koran beginnen met hetzelfde vers: ‘In naam van God, de barmhartige, de erbarmende...’ Gelovig moslim-zijn houdt in dat je je onderwerpt aan God en aan de vrede met je naaste. Thema's als verdraagzaamheid, oorlog en vrede, duisternis en licht, enz. worden zowel vanuit de koran als vanuit de bijbel belicht. Aan de godsnamen Noer ('Licht'), Haqq ('Waarheid'), Salaam ('Vrede') hecht de Islam traditie veel belang: God is Licht, Waarheid en Vrede. Hij verlicht de levensweg die de mens bewandelt. Hij is de ultieme realiteit waar alles op rust. Wie zijn Woord navolgt, is in vrede met zichzelf, met de medemensen en het universum. (Emilio Platti, Moslims onder ons, 20). Moslims uiten hun eerbied voor Jezus – de zoon van Maria - door aan de vermelding van zijn naam een heilwens toe te voegen: 'vrede zij met hem', zoals ze dat gewoonlijk ook doen bij de naam van Mohammed. De koran – het heilige boek van de Islam - onderstreept dat de profeet Mohammed enkel een mens is. Toch leeft in de Islam een sterke traditie om zijn naam met grote eerbied uit te spreken en er dus altijd een heilswens aan toe te voegen: 'vrede zij met hem'. Als gelovige moslims aan een begraafplaats voorbijkomen wensen zij de doden 'Salaam' (vrede, goede dag): de doden horen er immers nog altijd bij. Moslims zijn er diep van overtuigd dat God het geluk van alle mensen wil. Daartoe heeft Hij de schepping tot stand gebracht en zijn woord tot de profeet Mohammed gesproken. De mens draagt de verantwoordelijkheid om wegen te kiezen die tot het geluk
leiden. Wie in de schepping verwijzingen naar God ziet ('tekens'), wie zich aan God onderwerpt (Islam) en Gods geboden onderhoudt, die zal salaam vinden: vrede, menselijke vervulling, geluk. Het woord salaam, dat 'vrede' en 'heil' betekent, heeft dezelfde wortel als islam, onderwerping. De moslim leeft van de overtuiging dat hij vrede kan vinden door zich in eerbied te buigen voor God. De Islam is de godsdienst van de onderwerping aan God. De term salaam is eveneens verwant met het bekende joodse woord voor vrede, sjaloom. Wanneer moslims elkaar ontmoeten brengen zij elkaar de vredesgroet salamu aleikum: "de vrede (van God zij) met u". Moslims hebben moeite met sommige punten uit de christelijke leer. Zo zien zij de drievuldigheid als een vorm van polytheïsme. En de incarnatie is volgens hen een ontkenning van Gods transcendentie. Maar zij kijken weer hoog op tegen de christelijke deugden van geloof, hoop en liefde. Zij hebben diep respect voor christenen die oprecht vanuit hun geloof leven. Zij maken dankbaar gebruik van hun zieken- en verzorgingshuizen, scholen en universiteiten en zijn er zelfs trots op dat ze daar gewoon toegang toe hebben. Ze hebben diep respect voor de mannelijke en vrouwelijke religieuzen. Ze noemen ze ‘engelachtige mensen’.

2 Zie de inleiding van Glen Lewandowski o.s.c., Challenges of inter-religious dialogue tot he mission of religious life in the Crosier Order. Een presentatie voor de samenkomst van de mannelijke generale oversten in het kader van de USG, in november 2003.

3 Zie: www.kuleuven.be/thomas/page/hitchinson/
Zie ook: Victor Assouad SJ, De Islam wil godsdienst van vrede zijn
www.igniswebmagazine.nl

6. FRANCISCUS VAN ASSISI4

Ook Franciscus van Assisi droeg aan zijn volgelingen op om te zeggen: "de vrede van God zij met u". Franciscus van Assisi was een bewogen man die in contact met moslims opkwam voor vrede. Tijdens de vijfde kruistocht ging Franciscus met het leger van de paus mee, 'als een soort legerpredikant die tegen het leger was'. Het leger wilde de moslims verdrijven uit Jeruzalem, om het graf van Christus te bevrijden. Maar Franciscus' kijk op de islamieten was anders dan die van zijn tijdgenoten. Hij had in het evangelie gelezen over de liefde tot de medemensen, zelfs tot de vijanden. Ook een moslim, vijand of niet, was in zijn ogen een medemens, een broer. En broers slaat men niet dood, zelfs niet om een zo heilig doel te bereiken als de bevrijding van de heilige plaatsen in Jeruzalem. Franciscus wilde aan de moslims zijn dierbaarste bezit geven: het evangelie. Hij was er bovendien van overtuigd dat de christelijke herovering van de heilige plaatsen het niet waard was daarvoor ook maar één koranbelijder te doden.

In zijn 'Regel voor de broeders' zou Franciscus in 1221 laten schrijven dat zijn broeders onder de muzelmannen deze houdingen moesten aannemen: geen conflicten of onenigheid veroorzaken, maar om Gods wil alle mensen onderdanig zijn; ervoor uitkomen dat zij christenen zijn; het Woord van God verkondigen om de moslims te brengen tot het geloof in de almachtige God, die Vader, Zoon en Heilige Geest is. Zelf zou hij al voordien proberen wederzijds begrip tussen christenen en moslims te bereiken.

In juni 1219 scheepte Franciscus met enkele medebroeders in en vertrok vanuit Ancona aan de Adriatische Zee. Een maand later gingen zij aan land in Acre, een kruisvaarders-fort in Noord Egypte. Het leger zette de aanval in tegen de grote stad Damiate. Franciscus had vroeger al meegestreden in gevechten tussen steden in Italië, maar nog nooit had hij het kwaad van de oorlog op een zo grote schaal meegemaakt als in Egypte. Zijn deelname aan de kruistocht had niet als bedoeling tot vechten aan te zetten. Hij wilde de vrede niet bereiken met het zwaard, maar door Gods woord, het evangelie van de liefde, te prediken. Aan de fanatieke afgezant van de paus, kardinaal Galvao, legde hij een gedurfd plan voor: hij wilde niet de oorlog winnen; hij wilde de diepgelovige sultan Melek voor zich winnen. "Wie de sultan wint, wint de vrede", dacht hij. Om dit te bereiken wenste hij een vriendelijke ontmoeting met de sultan, nochtans de vijand! Eerst verbood Galvao aan Franciscus zijn plan uit te voeren. Uiteindelijk liet hij het toch toe.

Franciscus vertrok samen met een medebroeder. Het wekt nog altijd verwondering dat zij levend van het bezoek zijn terug geraakt. De sultan had immers de beloning van een goudstuk beloofd aan al wie hem het hoofd van een christen zou brengen. Een paar soldaten brachten hen geslagen en geboeid naar de sultan. Maar het staat historisch vast dat sultan Melek hen hartelijk heeft ontvangen. Melek zag Franciscus als een vriendelijke man die hem trachtte te overhalen om het evangelie boven de koran te plaatsen. Zowel christelijke als islamitische bronnen vertellen dat de sultan onder de indruk is gekomen van Franciscus' moed en geloof. Hij was vooral getroffen door zijn heldere eenvoud, waarachter geen politieke bijbedoelingen schuilgingen.

Franciscus heeft zijn doel bij de sultan niet bereikt. Melek aanvaardde de vrede niet. Hij wilde evenmin christen worden. Maar voor het eerst hadden iemand van de koran en iemand van het evangelie elkaar ontmoet in liefde. Bij het afscheid zou de sultan in het geheim aan Franciscus gevraagd hebben voor hem te bidden, dat hij met Gods hulp de godsdienst zou mogen kiezen die Hem het meest behaagde. In ieder geval heeft hij hem een vrijgeleide meegegeven die hem toeliet veilig het vijandelijk gebied te verlaten en zelfs naar Jeruzalem te reizen zonder onderweg belasting te moeten betalen.

Ongetwijfeld heeft Franciscus daar in Egypte vele malen 'Allah is groot' horen roepen en bidden. Zelf was hij daar eveneens van overtuigd. In zijn Zonnelied beleed hij: 'U, God, bent de Almachtige, de allerhoogste Heer. Aan u zij alle lof en eer en alle zegeningen'.

4 Zie: www.kuleuven.be/thomas/page/hitchinson






Afdrukken E-mail